Inleiding
Groen van Prinsterer (21 augustus 1801 – 19 mei 1876) is het meest bekend om zijn bestrijding van de beginselen van de Franse revolutie, die de mens centraal stelden en de goddelijke oorsprong van de overheid miskenden. Zulk ongeloof moest wel tot geweld en machtsmisbruik leiden, meende Groen. Als politicus wordt hij herinnerd om zijn strijd tegen de openbare school en voor het christelijk, van revolutiebeginselen gevrijwaard onderwijs.
In de herdenking van 1813 op 30 november 2013, worden de jaren 1813-1815 gepresenteerd als het begin van de moderne politieke geschiedenis van Nederland. De landing van de Prins van Oranje op het Scheveningse strand zou een bevrijding zijn van een buitenlandse overheersing onder de Franse tiran Napoleon en het herstel van de Nederlandse vrijheid onder de ‘goede vader’ Willem I. In werkelijkheid was de continuïteit tussen de ‘Franse overheersing’ en het herstelde Nederland veel groter dan vaak aangenomen. Een groot deel van het bestuurskader van Willem I had op alle bestuurlijke niveaus ook deelgenomen aan het ‘despotische’ Napoleontische bestuur, ook al wilden de betrokken ambtsdragers na 1813 niet veel meer weten van hun eigen politieke verleden. De staat van Willem I was een koninkrijk van Windvanen, aldus M.M. Lok in dit artikel: https://www.montesquieu-instituut.nl/nieuws/201311/de-betekenis-van-1813-wordt-overschat
De Hereniging van 1815 bracht de noordelijke en zuidelijke Nederlanden samen tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Als historicus zag Groen in de prijsvraag in 1826 van koning Willem I een uitgelezen kans om die Hereniging van 1815 historisch te onderbouwen. Om te voorkomen dat het Zuiden zich op Frankrijk zou gaan oriënteren, mocht er aan een Franstalige nationaliteit geen aparte status worden verleend. Een op Frankrijk gerichte oriëntatie achtte hij met name gevaarlijk bij een nieuwe revolutie in Parijs.
Groen verbindt de Nederlandse identiteit met het protestantisme en het Huis van Oranje. Daartegenover staan Ongeloof en Revolutie: ideologische keuzes hebben politieke consequenties en leiden, los van Gods Woord, tot ontwrichting.
Chronologie en publicaties
Deze blog wil een cursorisch overzicht geven van het leven van Groen van Prinsterer aan de hand van zijn publicaties, aangevuld met andere saillante gebeurtenissen die zijn keuzes mee hebben bepaald.
Voor een overzicht van de oorspronkelijke publicaties van G. Groen van Prinsterer, zie: https://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=groe009
De Leidse studententijd (1817–1823)
Groen groeit op in een midden-orthodox gezin uit de maatschappelijke elite. „Door verstand en braafheid werden aanzien en achting verkregen.” Tijdens zijn studietijd in Leiden komt hij onder invloed van Willem Bilderdijk (1756-1831), wat zijn denken blijvend stempelt. Groen is klassiek geschoold, belezen en heeft contact met invloedrijke tijdgenoten in binnen- en buitenland. Vanuit die brede intellectuele basis ontwikkelt hij zijn visie op onderwijs, waarin naast godsdienstige vorming juist ook historische vorming plaatsvindt. „Voor hem was historie de leermeester bij uitstek. Daar wordt Gods hand in de geschiedenis van een volk en een land zichtbaar,” aldus Bosma. Geschiedenisonderwijs zonder verwijzing naar God is voor hem ondenkbaar.
Groen studeerde aan de Leidse universiteit van 1818 tot de dubbele promotie op 17-12-1823, in de rechten en de letteren, beide in Latijn. Groen volgde te Leiden tevens de private colleges van Bilderdijk, doch zonder de geestdrift van een echte discipel. Ook toen Groen zich later meer in orthodox-christelijke richting ontwikkelde, hield zijn klassiek geschoolde geest afstand van Bilderdijks op machtspreuken gebouwde filosofie. Ze zweemde in Groens ogen naar sofisme, voor deze bewonderaar van Plato altijd de hoogste graad van afkeuring.[1]
De rechtenstudie confronteer de hem met de vraag wat de grondslag en bron van het recht is. Moet de wetgever eigen inzicht en de ratio volgen of moeten goede wetten Gods wet verwoorden, of de historie, de traditie en de volksgenie (wat een achterliggende vraag opleverde: op welke manier en in welke mate wordt de historie door God geleid)? Met dergelijke vragen worstelde Groen in opstellen van direct na zijn studietijd en aan het Kabinet des Konings werden zij zijn dagelijkse materie.
Groen ervaarde dat hij langs ‘providentiële weg’ werd geleid tot kabinetssecretaris van koning Willem I.
Het Dagboek van 1822
Dit is waarschijnlijk het kostbaarste document uit heel de Bescheiden. Het beslaat slechts enkele maanden (21 april–17 juni 1822), maar toont Groen terwijl hij zichzelf onderzoekt. Hier lees je:
- zijn strijd tegen eerzucht;
- zijn verlangen naar een waar christelijk leven;
- zijn ontdekking dat geloof méér is dan verstandelijke instemming;
- zijn groeiende afhankelijkheid van Gods genade;
- zijn verlangen naar heiliging.
De eerste hofjaren (1823–1827)
Isaac da Costa publiceert zijn Bezwaren tegen de geest der eeuw (1823)
1826 prijsvraag een algemene Nederlandse geschiedenis in te dienen
Ook zonder canon van de geschiedenis bestond er in de eerste helft van de negentiende eeuw wel een duidelijke behoefte aan een nieuw historisch overzicht. Zeker bij Willem I die als monarch van het Koninkrijk der Nederlanden zocht naar zaken die de onder hem vallende gebiedsdelen konden samenbinden.
Geschiedenis had die potentie. Het nationale verhaal moest Noord en Zuid, protestant en katholiek, voormalig patriot en orangist aanspreken. Een al te centrale plek voor de Opstand en de Gouden Eeuw was onwenselijk. De nieuwe vertelling moest ook de Belgen raken in hun ziel en eigenlijk ook een beetje historisch verantwoorden waarom een Oranje nu hun koning was.
Bij Koninklijk Besluit werd een prijsvraag uitgeschreven: geschied- en letterkundigen werden uitgenodigd een plan voor een algemene Nederlandse geschiedenis in te dienen. Koning Willem I onderstreepte het belang van zo’n historiebeschrijving: “Aankweeking van vaderlandsliefde, bevordering van burgerdeugd en instandhouding van het nationaal karakter”.
De 44 inzenders vormden een bont gezelschap en hadden afgaande op hun voorstellen heel diverse stijlen in hun hoofd. Ze kwamen uit het noorden en het zuiden. Er zaten hoogleraren, onderwijzers en archivarissen bij. Bovendien hadden enkele heren die later een sleutelrol zouden vervullen in de Nederlandse politiek, zin in de opdracht: Guillaume Groen van Prinsterer en Johann Rudolf Thorbecke. Een flink deel van de inzenders hikte aan tegen het algemene van de gewenste Nederlandse historie. Noord en Zuid waren “lang gescheiden broeders in hetzelfde huisgezin”[2]
Groen zag in de prijsvraag van koning Willem I een uitgelezen kans om de Hereniging van 1815 historisch te onderbouwen. Om te voorkomen dat het Zuiden zich op Frankrijk zou gaan oriënteren, mocht er aan een Franstalige nationaliteit geen aparte status worden verleend. Een op Frankrijk gerichte oriëntatie achtte hij met name gevaarlijk bij een nieuwe revolutie in Parijs. De inspanning voor de prijsvraag hangt dus nauw samen met Groens antirevolutionaire Europabeeld.[3]
Uiteindelijk besloot het gezelschap in 1829 toch maar geen winnaar te kiezen. Niet veel later ontstond een totaal nieuwe werkelijkheid. Dat vroeg om nieuwe geschiedschrijving. Toen het koninkrijk in 1830 uiteen viel, kon iedereen opgelucht ademhalen. Na de Belgische Opstand was het gedaan met de vrede in het ‘huisgezin’ en gingen de ‘lang gescheiden broeders’ ieder hun eigen weg.
Geschiedvorsers konden zich concentreren op hun favoriete tijdvak, dat van de Opstand en de Tachtigjarige Oorlog.”[4]
De invloed van Wagenaars werk uit de achttiende eeuw was aanzienlijk in het begin, zegt Maria Grever, emeritus hoogleraar historische cultuur aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en auteur van de dit jaar verschenen essaybundel Onontkoombaar verleden. Reflecties op een veranderende historische cultuur. „Wagenaar keek met een Republikeinse blik naar het Nederlandse volk, maar niet iedereen in het jonge koninkrijk was het daarmee eens. Er ontbrandde een decennialange factiestrijd over wat dan wel het Nederlandse verhaal moest worden.”
De facties sloten nauw aan bij de verzuiling die in de negentiende eeuw ontstond, zegt Pieter Huistra. „Iemand als Guillaume Groen van Prinsterer zag de geschiedenis door een orthodox protestants, Reinier Bakhuizen van den Brink door een liberaal en Willem Nuyens door een katholiek prisma. Eén ding hadden ze allemaal gemeen: ze beschouwden de Opstand als een strijd van hét Nederlandse volk tegen de Spaanse overheerser. Tegenwoordig zien we die Opstand meer als een burgeroorlog van verschillende groepen tegen elkaar, deels uitgevochten met buitenlandse huurlingen. Maar in de negentiende eeuw ontstond het beeld dat dit de geboorte was van een eensgezind Nederlands volk.
Ironisch genoeg zagen de negentiende-eeuwse historici niet dat juist in hun eigen tijd de natie geboren werd. Het was een unieke periode in de geschiedenis, zegt Huistra. „Die natiestaat ontstond en mensen vroegen zich af: hoe zijn we hier gekomen? Ze gingen echter niet met een open blik op zoek in het verleden, maar zochten iets dat ze wilden vinden. Hun Nederlandse natie bestond nog helemaal niet in de zeventiende eeuw.” „Met de vaststelling dat Nederland geboren was tijdens de Opstand en de daaropvolgende Gouden Eeuw werd aan aantal narrative templates –vaste kaders voor het verhaal – gecreëerd, zegt Maria Grever. „Nederland was een kleine natie met een roemrijke geschiedenis. En ook: een tolerant gidsland dat vrijheid hoog in het vaandel heeft staan. Via de schilderkunst en standbeelden van helden uit de Gouden Eeuw drong dit narratief diep door in de cultuur. Historici leven ook in hun tijd, dus ze zijn gevoelig voor dit soort templates.
Uit angst voor ideologisch-religieuze conflicten over de juiste interpretatie van de geschiedenis duurde het tot 1857 voordat geschiedenis op de lagere scholen een verplicht schoolvak werd. Pas toen Robert Fruin in 1860 in Leiden de eerste leerstoel Vaderlandse geschiedenis mocht gaan bekleden, kan je zeggen dat er geleidelijk aan een zekere consensus ging ontstaan. De geschiedschrijving verzuilde, maar over de basis was iedereen het wel eens.”[5]
Bekering van Groen rond 1827–1831
1828 Reveil
Kwam daardoor in 1828 kort na zijn huwelijk met Betsy in Brussel[6] wonen -in een sfeer van politieke onrust en spanning, waar hij vriendschapsband met de jonge (hof)predikant J.H. Merle d’Aubigné [uit Genève] opbouwde en via hem in aanraking kwam met de Geneefse Reveilkring en met de rijkbegaafde Alexandre Vinet en het boek Reflections on the Revolution in France van E. Burke, die de Franse revolutie in een grote historische ruimte plaatste. Ook kwam hij in aanraking met de literatuur van de christen-denker Pascal.
Vanaf september 1829 is hij opnieuw en voorgoed in Den Haag.
Pamflet over Volksgeest en burgerzin (maart 1829)
Groen heeft verschillende keren geschreven over het bevorderen van burgerschap. Deze publicaties hadden tot doel de bevolking toe te rusten voor hun taak in de maatschappij.[7]
Nederlandsche Gedachten (1829-1833, eerste reeks Politiekpolitiek tijdschrift)
Dit was een constant commentaar op wat toen de Belgische kwestie heette (maar in feite een Nederlands probleem was, want de opstand der Belgen in augustus 1830 was immers gericht tegen de eenheidsstaat, tegen het Noorden en tegen Oranje).
Groen analyseerde met name de achtergronden, de overtuigingen, de beginselen van de debattanten, inclusief die van de regering. Pikant aan die redactionele functie was natuurlijk dat Groen van Prinsterer tevens ambtenaar was.
Het jaar 1829 kunnen we beschouwen als het geboortejaar van de antirevolutionaire richting, lang eer er sprake was van een politieke partij. Politieke partijvorming in de huidige zin des woords was toen nog geheel onbekend. De naam Nederlandsche Gedachten slaat ook op het nationalistische karakter van het blad. Groen wilde het volk van Nederland opwekken tot een nationaal besef, waarin hij in de 19e eeuw niet alleen stond, maar hij identificeerde de Nederlandse identiteit meer dan de liberalen met het protestantisme en de rol van Oranje in de geschiedenis. Aan de populariteit van de drieslag God, Nederland en Oranje (‘een drievoudig snoer dat niet spoedig verbroken zou worden’) heeft Groen in belangrijke mate bijgedragen. In diverse publicaties in 1829 en 1830 introduceerde hij de tegenwoordig zeldzame term burgerzin, die zoals hij die bezigde vooral verband hield met het door hem voorgestaan (Nederlands) nationalisme. Later heeft deze term ook andere betekenisnuances gekregen.
In 1832 moest hij de uitgave van Nederlandsche Gedachten staken wegens de kosten.
1830 De Belgische Opstand

Figuur 1Belgische Opstand – Gustave Wappers (Publiek Domein – wiki)
Groen van Prinsterer was ervan overtuigd dat met het tolereren van de Belgische opstand de sluizen van de Europese Revolutie werden opengezet. Het loslaten van de hereniging der Nederlanden zag hij niet alleen als een flagrante schending van het Europese volkenrecht, maar ook als een slecht begrepen eigenbelang. Groen verwachtte dus ten eerste dat de mogendheden hun verplichtingen ten aanzien van de hereniging zouden nakomen en ten tweede dat de Europese vorsten zouden inzien dat niet-ingrijpen gelijkstond aan het ondermijnen van hun eigen monarchale staatsgebouw. Met de Europese Revolutie kon volgens Groen geen deal worden gesloten.
Groen heeft in 1831 toegegeven dat er bij de ‘volkomen en innige’ hereniging van 1815 onvoldoende rekening was gehouden met de eigenheid van de Zuidelijke Nederlanden.
1830 Katholieken: geen echte burgers
De Katholiek historicus Hardy Beekelaar (1933-2026) typeerde dit retorisch in zijn bijdrage aan de herdenkingsbundel Een staatsman ter navolging (1976/1977) als ‘een soort apartheidsstaat voor de roomse inboorlingen’. Hij doelde daarmee op een vroeg politiek denkbeeld van de jonge Groen van Prinsterer, ontstaan in de jaren 1830, kort na de Belgische Opstand. Volgens Beekelaar overwoog de jonge Groen toen een constructie waarbij:
- Noord-Brabant en Limburg een eigen bestuurlijke positie zouden krijgen;
- Nederland in feite uit een protestants en een katholiek deel zou bestaan, verbonden in een federatief verband;
- de overwegend katholieke bevolking van de Generaliteitslanden daarmee een afzonderlijke politieke status zou krijgen.
Het woord “apartheidsstaat” is hier een polemische, anachronistische metafoor. Hij wilde niet beweren dat Groen een systeem zoals het twintigste-eeuwse Zuid-Afrika voorstond. Beekelaar gebruikte de term om duidelijk te maken dat Groen in zijn jonge jaren nog sterk dacht in termen van een protestantse nationale identiteit, waarin de katholieke provincies eigenlijk een uitzonderingspositie zouden innemen.
De toevoeging “roomse inboorlingen” is eveneens bewust scherp geformuleerd. Daarmee bekritiseerde Beekelaar de manier waarop Groen de bevolking van Noord-Brabant en Limburg destijds nog niet als volledig geïntegreerd onderdeel van de protestants-Nederlandse natie leek te beschouwen.
1831 Toezichthouder van het Koninklijk Huisarchief
De voormalig referendaris Groen was in 1831 na de scheuring van het Verenigd Koninkrijk door de koning aangesteld als toezichthouder van het Koninklijk Huisarchief. Voor de Hagenaar Groen betekende deze functie de praktische invulling van een lang gekoesterd ideaal om rijksgeschiedschrijver te worden. Hij verzorgde in de relatieve rust van dit ambt de ontsluiting van de archieven van de prinsen van Oranje. De bronnen uitgaven Archives ou Correspondence de la Maison d’Orange-Nassau, die tussen 1835 en 1847 werden uitgegeven, zouden de basis leggen voor zijn bekende Handboek der Geschiedenis van het Vaderland (1841-1846), bedoeld voor het onderwijs.

In 1833 Groen verliet het Kabinet des Konings.
Langzamerhand waren zijn opvattingen veranderd. Net als meer tijdgenoten ontdekte Groen in die postrevolutionaire periode (na de scheiding van België in 1830) het Réveil, een internationale opwekkingsbeweging die geloven koppelde aan gevoel en emotie, en die de beperktheden en kleinheid van de mens erkende, zelfs de zwarte, slechte kanten van de mens. Het Réveil wees op de zonde en de noodzaak van verzoening, verlossing en genade. Dit Réveil leidde niet tot introvert piëtisme rond persoonlijke bevindelijkheid met mijding van de (kwade) wereld, maar tot bidden én werken: het verbreiden van de boodschap van bevrijding (zen ding, evangelisatie) en het daadwerkelijk bevrijden van (de gevolgen van) het kwaad door daden van christelijke barmhartigheid. Groen van Prinsterer ontwikkelde langzamerhand een christelijk maatschappijbeeld.
1833 overgangsjaar na ernstige ziekte
Roel Kuiper beschrijft in zijn biografie van 2001 een ernstige ziekte die Groen in de winter van 1832-1833 bijna het leven kostte. Kuiper baseert zich daarbij op brieven van mevrouw Groen uit de verzameling-De Clercq van het Réveilarchief in Amsterdam. Groen had koorts, hoestte onophoudelijk, sliep nauwelijks en verzwakte zienderogen. Voor zijn leven werd gevreesd, ook door hemzelf. Pas in maart 1833 pakte hij voor het eerst de pen weer op. Kuiper laat aan de hand van die brieven zien dat de ervaringen van Groen tijdens dat lange ziekbed tot een bevestiging van zijn geloof hebben geleid. In de jaren daarvoor had Groen geprobeerd de consequenties van zijn geloof voor tal van terreinen onder woorden te brengen. Nu, schrijft Kuiper, „concentreerde het zich op een enkel punt: Christus alleen.” Het jaar 1833 werd zo een „overgangsjaar” in Groens leven. Sindsdien wenste hij vóór alles een getuige van Christus te zijn.
Zomer 1834 Proeve over de middelen waardoor de waarheid wordt gekend en gestaafd
Dit eerste deel van Beschouwingen over Staats-en Volkenrest behoort tot Groens vroege filosofische en apologetische geschriften en is belangrijk omdat het zijn latere denken al duidelijk aankondigt. De Proeve ontstond in een periode waarin Groen zich steeds meer losmaakte van het rationalisme en onder invloed kwam van het Réveil, met figuren als Isaac da Costa en Willem Bilderdijk.
In de Proeve onderzoekt Groen de vraag: Hoe komt de mens tot zekere kennis van de waarheid? Hij verzet zich tegen de gedachte dat de menselijke rede op zichzelf de ultieme maatstaf van waarheid is.
De Proeve vormt een eerste aanzet tot het uitgangspunt dat later zijn bekendste werk, Ongeloof en Revolutie (1847), zal kenmerken: het christelijk geloof is niet een privé-overtuiging naast andere, maar de grondslag voor alle ware kennis, geschiedenis en samenleving.
Historici zien de Proeve vaak als een overgangswerk:
- zij sluit nog aan bij de negentiende-eeuwse kentheoretische discussies over zekerheid en waarheid;
- tegelijk bevat zij al de kern van Groens latere antirevolutionaire geschiedbeschouwing;
- de nadruk verschuift van het autonome denken naar het gezag van Gods openbaring en de lessen van de geschiedenis.
In die zin is de Proeve een van de eerste systematische formuleringen van Groens christelijke epistemologie en wijsbegeerte.
Zo legt hij o.a. ook nader uit wat hij onder beginselen verstaat! Zie blz. 66-67 in Tot een voorbeeld zult gij blijven;
Archives ou Correspondance inédite de la Maison d’Orange-Nassau (1835–1847)
Keerpunt 1836: bezoek aan Parijs
1834-1837 de Afscheiding van 1834
Het bestuur van het Hervormd Kerkgenootschap had de overheid in de arm genomen om de afgescheidenen tot terugkeer naar dit genootschap te dwingen. De regering schakelde daarvoor politie en leger in. Gezinnen kregen inkwartiering van zes tot acht dragonders, die dagelijks zorg den voor de nodige overlast. Zo werden de afgescheidenen door de liberale overheid op verzoek van een liberaal synodebestuur getiranniseerd. Groen van Prinsterer deelde het standpunt van de Afscheiding van 1834 beslist niet, maar over de kerkmuren heen herkende hij in de afgescheidenen zijn directe geestverwanten.
Groen schreef pamfletten die indruk maakten, waaronder De maatregelen tegen de afgescheidenen aan het staatsrecht getoetst (1837). Hierin betoogde hij dat de overheid een vergissing beging door de bijeenkomsten van afgescheidenen te verstoren en boetes en inkwartiering op te leggen. Hij gaf harde kritiek op de koning in een ongedrukte ‘memorie’. Net als zij had Groen kritiek op het Algemeen Reglement van 1816, dat de koning veel invloed gaf in de kerk, evenals op de opkomende vrijzinnigheid. Groen wilde niet met de Nederlandse Hervormde Kerk breken, maar de gereformeerde gezindte in die kerk en daarbuiten verenigen in zijn strijd tegen de vrijzinnigheid in kerk, staat en maatschappij. Als zodanig trad hij na 1834 onverschrokken op voor afgescheidenen die voor de rechter waren gedaagd. In zijn pleidooien smeedde hij het begrip gereformeerde gezindte.[8] Voor de reactie van Thorbecke om de vervolgingsmaat-regelen der Regering te verdedigen zie: https://gereformeerdekerken.info/2018/07/19/groen-van-prinsterer-als-verdediger-der-afgescheidenen-2/
Door zijn verdediging (als advocaat) van de afgescheidenen kreeg Groen wel het verwijt dat hij populist was, zo richtte dr. Arjan Nobel (Universiteit van Amsterdam) zich tijdens TUU-symposium op 22 mei 2026 in de Waalse Kerk in Den Haag op de paradoxale houding van Groen van Prinsterer tijdens de Afscheiding van 1834. „Een publicatie [van Groen] daarover sloeg in als een bom. De liberale elite, onder wie Thorbecke, vond dat Groen heulde met de massa, met het gepeupel dat verleid werd door demagogen.”
- Zo was Groen zelf strikt hervormd en keurde de feitelijke kerkscheuring inhoudelijk af.
- De overheid vervolgde de afgescheidenen met boetes en inkwartiering van soldaten. Groen nam het vanaf 1837 fel voor hen op onder het mom van rechtsbescherming:
- Hij botste hierdoor met zijn liberale academievriend Johan Rudolph Thorbecke, die destijds weinig ophad met kerkelijke autonomie en had hier door een Grondwetsconflict
- Dr. Arjan Nobel typeerde Groen als een elitefiguur die van uit sociale bewogenheid over zijn eigen kerkmuren en sociale klasse heen keek om de gewone, arme burger te beschermen.
Ondanks hun diepdoorleefde geloof en sympathie voor de zaak van de afgescheidenen, hadden Willem en Betsy Groen echter niet zo heel veel op met de bevindelijke geloofsbeleving zoals die vooral in afgescheiden kringen floreerde. Met betrekking tot de leer van de uitverkiezing waarschuwde Groen voor het „doordringen in verborgenheden.” En zijn vrouw schreef aan De Clercq, terwijl zij in Bunyans ‘leven’ zat te lezen: „Wij kennen weinig van dit soort bevindelijke godsdienst… Of het nuttig is alle verzoekingen, alle somtijds zoo zonderlinge gewaarwordingen op te schrijven en te laten drukken, daaraan, dunkt mij, mag men twijfelen”.[9]
1840 Onderwijswet: pleidooi voor Nationaal christelijk onderwijs.
In 1840 schreef Groen op verzoek een voorstel om de openbare school te splitsen naar gezindten, allemaal gefinancierd van staatswege.[10]
In 1844 schreef Da Costa zijn gedicht “Aan Nederland in de lente van 1844”
De jaren 1845 en 1846 kende twee mislukte aardappeloogsten, waarop hongersnoden volgden, die leidden tot een discussie over armoedebestrijding en de rol van de staat hierin. In de tweede aflevering ‘Oproer de onderdanen van OVT op12 juli 1998[11] kun je luisteren naar deze gebeurtenissen in de onrustige jaren ’40 van de 19e eeuw: de reactie van de radicale pers op de ellende in Nederland; de organisatiepogingen van de liberale oppositie in 1845 in de ‘petitionnementbeweging’ en in 1846 in de ‘Amstelsociëteit’; de reactie hierop van koning Willem II; het leven en werk van de radicaal Petrus de Vos die probeerde om de arbeiders te organiseren; de reactie van de overheid op de verschillende hongeroproeren; de opkomst van de communistische beweging in Nederland; het verbond tussen jonge katholieke intellectuelen en liberalen in 1847.
1840-41 Anti-slavernijadres
En ‘adres’ over de Nationale Maatschappij ter bevordering van de Afschaffing van Slavernij. Groen van Prinsterer was een verklaard tegenstander van de slavernij in Oost en West. In 1842 beijverde hij zich om enkele abolitionistische comités te verenigen in de “Nederlandse Maatschappij ter Bevordering van de Afschaffing van de Slavernij”, die hij in de statuten echter een zo protestants-christelijk karakter gaf, dat andersgezinden al spoedig weer huns weegs gingen. In 1853 werd hij voorzitter van de Staatscommissie afschaffing slavernij, die echter op korte termijn niets bereikte. Het zou tot 1863 duren voor Nederland de slavernij verbood.[12]
Groen/Reveilmannen deden alles tegelijk (lastig te historiseren)- Kerkpolitiek- Zending- Anti-slavernij- Kleine schaal: boekhandels beïnvloeden, boekjes, belijdenisgeschenken- Nationale lading: Toen deed Groen iets opmerkelijks. Als commissielid greep Groen vervolgens zijn kans om ‘de prille nationale antislavernijbeweging een antirevolutionair karakter’ te geven. (Maartje Janse).
1841-1846 Handboek der geschiedenis van het vaderland
Het was Groen van Prinsterer die in navolging van Bilderdijk, – het net ontstane Koninkrijk der Nederlanden – een Handboek schreef over onze Vaderlandse geschiedenis. Het Handboek was mede gebaseerd op archiefonderzoek van Groen. Hij was in 1836 als archivaris aangesteld van het Koninklijk Huisarchief en ontsloot in die hoedanigheid de correspondentie van de prinsen van Oranje.
Hij laat die Vaderlandse geschiedenis echter niet beginnen met de Hollandse graven in de 10e eeuw, ook niet met het Plakkaat van Verlatinghe in 1581, maar in 1517 als het uur van de Hervorming geslagen heeft en God zijn licht in de geschiedenis weer laat schijnen, hetgeen nauw samenhangt met Groens overtuiging dat Nederland als natie zijn bestaan te danken heeft aan de strijd om het ware geloof. Het Handboek moest daarom Groens calvinistisch-orangistische nationalisme ondersteunen.
Koningin Wilhelmina was bijzonder gehecht aan Groens Handboek der Geschiedenis van het vaderland. Het lag op haar werktafel altijd binnen handbereik. Wilhelmina heeft het haar leermeester Petrus Johannes Blok zeer kwalijk genomen dat hij informatie had achtergehouden over de geschiedenis van Nederland. De schellen vielen haar van de ogen toen ze kennisnam van dit handboek van Groen. In tegenstelling tot Blok heeft Groen de geschiedenis van Nederland opgevat als het verhaal van Gods leiding en de historie van Gods wonderen
Peter Raedts: Orthodoxe protestanten beschouwden de Tachtigjarige Oorlog als het moment waarop de natie was ontstaan, en weigerden enig belang te hechten aan de (katholieke) Middeleeuwen. Toen de katholieke emancipatie vanaf 1853 op gang kwam, en de katholieken zich de Middeleeuwen toe-eigenden als hún gouden tijdperk, was het voor het weldenkende deel der natie al helemaal onmogelijk om deze periode te ‘ontdekken’.” Nederland was, constateert Raedts, religieus té diep verdeeld om vanuit de Middeleeuwen een nationale mythe te scheppen.
In Groens ‘theologische geschiedopvatting’, kwamen openbaring, filosofie en geschiedenis samen. De wereldgeschiedenis was voor Groen alleen te begrijpen aan de hand van de Heilige Schrift, ook al was hij terughoudend met het toeschrijven van historische gebeurtenissen aan het optreden van de voorzienigheid en bestonden ‘bovennatuurlijke’ en historische causaliteit naast elkaar. Zoals Groen in zijn Handboek schreef: ‘ook op het pad der historie, zij Gods Woord een lamp voor onzen voet. Zonder de H. Schrift blijft de wereldgeschiedenis raadsel.’
Opvallend is ook het grote aantal bladzijden dat Groen in zijn Handboek aan de achttiende eeuw wijdt: de verfoeide achttiende eeuw krijgt van Groen in zijn nationale geschiedenis vanaf de Batavieren meer pagina’s toebedeeld dan de glorieuze en godvruchtige zeventiende eeuw! Juist vanwege zijn kritische houding wordt bij Groen als een van de eerste Nederlandse historici de achttiende eeuw als cruciale periode in de Nederlandse geschiedenis voor het voetlicht gebracht. Volgens historicus Hendrik Smitskamp moet Groen ook worden beschouwd als een van de belangrijkste wegbereiders van de wetenschappelijke studie van de achttiende eeuw in Nederland, omdat hij als een van de eersten een samenhangend verhaal presenteerde van de achttiende-eeuwse Nederlandse geschiedenis op basis van veelal nieuw bronnenmateriaal. Groens gouden tijdperk is de zestiende-eeuwse Reformatie.De Reformatie ziet hij in Ongeloof en Revolutie als het exacte spiegelbeeld van de Franse Revolutie: De Revolutie moet in verband tot de wereldgeschiedenis worden beschouwd. Zij is, in omgekeerde zin, wat de Hervorming voor de Christenheid geweest is. Gelijk deze Europa uit het bijgeloof gered heeft, zoo heeft de Omwenteling de beschaafde wereld in den afgrond van het ongeloof geworpen. Maar al spoedig na de zegenrijke Reformatie zet volgens Groen het verval en bederf in: ‘Maar ook hoe de waarheid, die in de 16e eeuw op den kandelaar was gesteld, in de 17e allengskens, door verflaauwing en zedebederf, weder onder de koornmate gebragt is; zoodat het aan de wijsbegeerte der 18e eeuw, in de nacht van het ongeloof, kon gelukken haar dwaallicht voor het zonnelicht te doen houden.’ De zeventiende eeuw met de ontluikende Verlichting door de wetenschappelijke ontdekkingen is voor Groen dan ook niet een gouden tijdperk, maar juist het begin van het religieus en moreel verval.
Europese dimensie
De Europese geschiedenis en de historische wetenschap stonden voor Groen aan de zijde van het Christelijke geloof. De historische studie was een wapen waarmee de ongelovige tijdgeest bestreden kon worden.
M.M. Lok wijst in zijn ‘De eeuw van ongeloof. De constructie van de “achttiende eeuw” in Groens Ongeloof en Revolutie (1847) op een van de meest interessante aspecten aan Ongeloof en Revolutie, die van de Europese ideeën-historische dimensie. Groen zag de Franse Revolutie in essentie als een Europese revolutie en de opkomst van het ongeloof als een Europees fenomeen. Het hoofdtoneel van de strijd tussen Geloof en Ongeloof was de Franse geschiedenis, die deze Europese geschiedenis dan ook domineert. In zijn dissertatie uit 2011 heeft de historicus Jelle Bijl in navolging van Jan de Bruijn en George Harinck[13] terecht gewezen op de Europese dimensie van Groens denken. Doorgaans wordt Groen geassocieerd met de opkomst van de christelijke politiek in Nederland. In Ongeloof en Revolutie laat Groen zich echter in de eerste plaats zien als een Europese intellectueel die een grote kennis bezat van het Engelse, Franse en Duitse conservatieve denken. Hij gaat uitgebreid in discussie met een breed scala aan auteurs die vaak ook een ander wereldbeeld hebben. Ook bespreekt hij als protestantse denker uitgebreid katholieke auteurs als Louis de Bonald en Joseph de Maistre.
De liberale Franse historicus François Guizot(1787-1874) en zijn Histoire Générale de la Civilisation en Europe (1828) vormt een belangrijke inspiratiebron, evenals de historici van de Göttinger historische school. Het voorbeeld van Ongeloof en Revolutie maakt duidelijk dat harde grenzen tussen liberale en conservatieve geschiedschrijving in de vroege negentiende eeuw niet te trekken zijn.
1846 raakte Groen betrokken bij de oprichting van de Evangelische Alliantie.
De grondwet van 1848 bevestigde de vrijheid van onderwijs als grondrecht. De uitwerking in gewone wetgeving duurde echter tot 1857.
1847-1848 Nederlands Zendelingsgenootschap
In de kring van de ‘Christelijke Vrienden’ ontstond er een kritische distantie ten opzichte van het N.Z.G.. Groen van Prinsterer adviseerde in 1847 en 1848 om liever het Parijse zendingsgenootschap te steunen. Volgens Groen verdroeg het aandeel van ‘Groninger’ theologen als Hofstede de Groot in het bestuur van het N.Z.G. zich niet met het schone adagium van het genootschap: ‘Vrede door het bloed des kruises’. Brummelkamp deelde deze bezwaren en steunde inderdaad het Parijse genootschap.[14]
1848 Brochure Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap
Een toelichting van de spreuk der revolutie. Deze brochure verscheen in 1848, het revolutionaire jaar waarin in heel Europa liberale en democratische opstanden uitbraken en ook in Nederland de grondwetsherziening van Johan Rudolph Thorbecke tot stand kwam. Groen schreef de brochure toen Europa werd overspoeld door revoluties:
- de Februarirevolutie in Frankrijk;
- opstanden in Duitsland, Oostenrijk en Italië;
- de val van verschillende vorsten;
- de invoering van liberale grondwetten.
Veel tijdgenoten zagen deze revoluties als een overwinning van vrijheid en vooruitgang. Groen zag ze juist als het logische gevolg van een geestelijke ontwikkeling die al sinds de Verlichting gaande was. Groens hoofdstelling luidt ongeveer:
Wanneer vrijheid, gelijkheid en broederschap worden losgemaakt van God en Zijn openbaring, veranderen zij uiteindelijk in hun tegendeel.
Groen verdedigt een historische staatsopvatting. De staat ontstaat niet doordat mensen een maatschappelijk contract sluiten. Hij groeit historisch onder Gods voorzienigheid.
Hoewel de brochure geen formele hoofdstukindeling heeft, verloopt de redenering ongeveer als volgt:
- Analyse van de revoluties van 1848.
- Bespreking van de revolutionaire leuzen.
- Bijbelse betekenis van vrijheid.
- Bijbelse betekenis van gelijkheid.
- Bijbelse betekenis van broederschap.
- Gevolgen van secularisatie.
- Oproep tot terugkeer naar christelijke beginselen.
Historisch is de brochure belangrijk omdat zij een van de eerste systematische protestants-christelijke reacties op de revoluties van 1848 vormt. Zij heeft grote invloed gehad op de ontwikkeling van de antirevolutionaire politieke traditie in Nederland. Groen probeert de idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap niet af te wijzen, maar juist te herinterpreteren vanuit een christelijk uitgangspunt: zonder erkenning van Gods gezag verliezen deze idealen volgens hem hun morele fundament en kunnen zij omslaan in nieuwe vormen van onvrijheid en dwang. Dat uitgangspunt bleef richtinggevend voor latere denkers als Abraham Kuyper, al werkte Kuyper sommige thema’s, zoals de leer van de soevereiniteit in eigen kring, op een eigen wijze verder uit.
1847-1856 Ongeloof en Revolutie- Eene reeks van historische voorlezingen
Het in 1847 gepubliceerde boek bestaat uit een vijftiental hoofdstukken gebaseerd op lezingen die hij in de wintermaanden van 1845- 1846 in zijn huis in Den Haag hield voor een selecte groep geestverwanten. De publicatie van Ongeloof en Revolutie moet gezien worden tegen de politieke achtergrond van de groeiende vrees van conservatieven voor een herhaling van de gebeurtenissen van de Franse Revolutie en de opkomst van het politieke liberalisme in de jaren 1840 in heel Europa. Groen probeerde door een analyse van de historische wortels van het contemporaine politieke bestel in het achttiende-eeuwse ongeloof een bijdrage te leveren aan het actuele politieke debat.
Groen wilde met de publicatie van Ongeloof en Revolutie laten zien dat de liberale visie op het uitbreken van de Franse Revolutie als een reactie op de misstanden en het machtsmisbruik tijdens het Ancien Regime onjuist was. Hoewel hij niet ontkende dat er voor de Revolutie misbruiken bestonden, was hij van mening dat de verdorvenheden van het prerevolutionaire bestel na 1789 door de liberale historici sterk werden overdreven. Hij had een positieve visie ten opzichte van de Europese staatsinstellingen zoals die na de val van het Romeinse rijk waren ontwikkeld op basis van het christelijke en het Germaanse principe en die tot de grote revoluties hadden bestaan. Het kenmerk van dit bestel was volgens Groen dat de (monarchale) macht een beperkt en getemperd karakter had, zeker in vergelijking met het Oosters despotisme maar ook met het revolutionaire despotisme van na 1789… In Groens ogen kon het uitbreken van de Franse Revolutie alleen verklaard worden uit de ontwikkeling en verspreiding van het ‘ongeloof’, de noemer waaronder hij het verlichte en revolutionaire gedachtegoed schaarde in de voorafgaande eeuw. Historische gebeurtenissen vormen in het historisch denken van Groen de weerslag van de heersende beginselen van een bepaald tijdvak. Ze zijn ‘de omtrekken en vormen, waarin de gestadige werking van de tijdgeest zich openbaart’; ‘[de] algemeene oorzaak, aan wier invloed staatsvormen en omstandigheden en volkskarakter en handelende personen ondergeschikt zijn geweest (…) moet gezocht worden in de begrippen, welke den boventoon gehad hebben’. Deze dominerende begrippen vormen voor Groen het uitgangspunt bij de periodisering van de geschiedenis, waaronder die van de achttiende eeuw.[15]
Groen van Prinsterer aarzelde niet om aan de „toverspreuk” van de Franse Revolutie –vrijheid, gelijkheid en broederschap– nog drie woordjes toe te voegen: „of de dood.” „De leer van Vrijheid en Gelijkheid is, in haar broederschap, aan die van Kaïn gelijk”, schrijft hij in zijn boekje ”Vrijheid, gelijkheid, broederschap”. „Aldus zal het steeds en overal zijn. Vrijheid: omverwerping van het gezag; Gelijkheid: vernietiging van hetgeen in den natuurlijken loop der samenleving tot stand gekomen is; Broederschap: verdrukking, en, zoo noodig, moord aan elk die geen medewerker der ongerechtigheid zijn wil.”[16]
in Ongeloof en Revolutie ontvouwde hij een christelijk-historische analyse van de belangrijkste politieke stromingen van die dagen. Liberalisme (inclusief het socialisme) en conservatisme reageren op de Franse revolutie, aldus constateerde Groen, progressief dan wel behoudend, maar stellen steeds de mens centraal, niet God; niet Gods wet maar de mens of de volkswil bepaalt wat goed of kwaad is. De liberaal breekt met de traditie (en Gods werk in de historie), de conservatief vergoddelijkt de traditie (hoewel veel historie zondig mensenwerk is). Beiden waren dus, in Groens terminologie, revolutionair, want ongeloof is per definitie revolutie jegens God omdat het de mens in plaats van God centraal stelt.
„Er zijn krachten en wetten, als in de stoffelijke wereld, evenzo in het rijk der zedelijkheid.” Hij haalt de Britse conservatief Edmund Burke aan: „Wie den godsdienst niet bemint, haat hem.”
In zijn voorrede van de derde uitgave van Ongeloof en Revolutie (1903) zegt hij nog het volgende: ‘Ik eindig met de verklaring dat ik, tegen alle wijsheid der mensen, bij het gevoel van eigen zwakheid, twee woorden als onderpand der zege, ten leus heb: er staat geschreven! er is geschied! Een fundament tegen elk schutgevaarte, een wortel tegen iedere wervelwind van filosofisch ongeloof bestand’, (biz. XV).
1848 Grondwetsherziening
Met de grondwetsherziening van 1848 kwam er nog meer ruimte. Daardoor kreeg de Rooms-Katholieke Kerk de mogelijkheid om de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland te herstellen. Dat gebeurde in 1858.[17]
„Hij [Groen] is bijvoorbeeld betrokken bij de totstandkoming van de grondwetsherzieningen van 1840 en 1848, maar verzet zich tegen het revolutionaire gedachtegoed dat daarin doorwerkt. Dit betreft onder meer de aantasting van de positie van de koning en het beginsel van volkssoevereiniteit. „Volksinvloed begeer ik, volksregering niet”, zei hij. Zijn visie blijkt ook in de schoolstrijd. Aanvankelijk strijdt hij voor de christelijke staatsschool. Als de onderwijswet van 1857 het onderwijs neutraal maakt, legt hij zijn Kamerlidmaatschap neer. Vanaf dat moment zet hij zich in voor de bekostiging van het bijzonder onderwijs.”[18]
Hij werd positief over de Grondwet beïnvloed door de van geboorte joodse Friedrich Julius Stahl een vooraanstaande Pruisische filosoof, hoogleraar constitutioneel recht en staatsman in het 19e-eeuwse Duitsland. Stahl verkondigde een publiekrechtelijke opvatting over het gezag, die inhield dat het gezag van de staat op Gods gebod van rust en orde, ten dienste van de publieke gerechtigheid. Zijn christelijke politieke filosofie had zowel invloed op de praktische politiek in een tijd van onrust in Duitsland (rond en na 1848), als op antirevolutionaire denkers van volgende generaties. Zijn werk is een monument voor een Duitsland dat werd overweldigd en opgeslokt door de Bismarck-revolutie, die de christelijke traditie verving door Realpolitik. Positief over de Grondwet.[19]
Na Groens protest volgt acceptatie van de Grondwet en ziet hij mogelijkheden: bijzondere scholen, meedoen aan parlementaire verkiezingen .
Het was voor Groen niet zomaar een idee, hij zag die in de historie bevestigd en getoond: wie God vergeet, mag rampspoed verwachten. In 1848, het grote revolutiejaar van de 19e eeuw, zag hij die gerealiseerd. Daarom stelde hij tegen de revolutie het evangelie – dat een ander mens- en wereldbeeld brengt.
1849 Groen wordt parlementariër en komt daarmee in de Tweede Kamer.
Hij was buitengewoon lid van de Tweede Kamer van 5 augustus 1840 tot 5 september 1840 (voor Holland)
1850 Geen politieke gelijksstelling van de Joden
Omstreeks 1850 is Groen van oordeel dat de politieke gelijksstelling van de Joden niet kan worden gehandhaafd in de geest van de beginselen van 1795 of 1848.
1850 Groen wil Christelijke Vrienden transformeren tot een politieke partij, dat zou leiden tot de oprichting van de antirevolutionaire partij
1850-55 Combi Parlement en krant (‘De Nederlander’)
De uitgever van de Utrechtse krant De Nederlander benoemde hem in 1850 tot onbezoldigd hoofdredacteur, waarna hij de inhoud in Anti-Revolutionaire zin omboog. Dankzij de vermogende weduwe kon Groen het bestaan van De Nederlander rekken tot 1855.
1852 Paus Pius IX stelt in Nederland 5 bisdommen in.
Dit zou leiden tot de Aprilbeweging van 1853 waarin aan Koning Willem III petitie werd aangeboden om dit tegen te gaan.
In dat zelfde jaar leidde verkiezingen tot een nieuw conservatief kabinet o.l.v. de conservatief-liberale F.A. van Hall.
1850-1855 Narede van vijfjarigen strijd
Dit is een belangrijk politiek en staatsrechtelijk geschrift van Guillaume Groen van Prinsterer.[20] De “vijfjarige strijd” verwijst naar Groens politieke en kerkelijke strijd in de jaren 1850–1855, vooral na de grondwetsherziening van 1848. In die periode verzette hij zich tegen:
- het voortschrijdende liberalisme;
- de gedachte van de religieus neutrale staat;
- de toenemende invloed van de revolutiegedachte in politiek en samenleving;
- de opvatting dat de overheid geen christelijke roeping meer zou hebben.
Het boek is tegelijk een verantwoording, een terugblik en een programverklaring.
Veel historici beschouwen de Narede als Groens meest persoonlijke politieke zelfverantwoording. In tegenstelling tot Ongeloof en Revolutie, dat vooral historisch-filosofisch is opgezet, laat de Narede zien hoe Groen zijn beginselen in de actuele politieke praktijk probeerde toe te passen. Het geschrift is belangrijk omdat Groen hier:
- zijn visie op de christelijke staat het duidelijkst formuleert;
- zijn verhouding tot liberalen en rooms-katholieken uiteenzet;
- uitlegt waarom hij een principiële oppositie verkoos boven politieke compromissen;
- de grondslagen legt voor wat later de antirevolutionaire politiek zou worden.
Vier kernpunten lopen als een rode draad door het werk:
- Politiek is uiteindelijk een strijd tussen levensbeschouwingen, niet slechts tussen partijen.
- De overheid is nooit religieus neutraal; ook neutraliteit berust op een bepaald beginsel.
- Christelijke politiek begint met trouw aan Gods openbaring, niet met electorale berekening.
- Een principiële minderheid kan blijvende invloed uitoefenen, omdat waarheid niet afhankelijk is van meerderheden.
https://chatgpt.com/share/6a5e95c1-9930-83eb-bd7e-32d430d66a61
1853-1856 De Krim-oorlog
Deze oorlog betrof de strijd van keizerrijk Rusland (Nicolaas I) tegen een alliantie van het Tweede Franse Keizerrijk (Napoleon III), het Britse Rijk, het Ottomaanse Rijk en het koninkrijk Sardinië.
In de jaren rond 1855, toen de Russen en een alliantie van Ottomanen, Fransen, Britten en Sardijnen vochten om de Krim, debatteerde politiek Den Haag over de vraag welke positie Nederland moest kiezen in dit conflict.
Groen was toen meer beducht voor de ideologie van de Fransen ten tijde van keizer Napoleon III dan voor de geopolitiek van de Russen.
1854 De Antirevolutionaire en Confessionele Partij in de Nederlands Hervormde Kerk
Door te luisteren naar de prediking zoals Groen die voorstond kon een christen zijn persoonlijkheid ontwikkelen om zo zijn verantwoordelijkheid in de maatschappij te nemen.
Groen was een warm voorstander van de vrije drukpers als middel om de publieke opinie te vormen. Daardoor zou er ook een goed publiek debat plaats kunnen vinden. Hij schreef: “Niemand heeft in, woord en daad meer geijverd voor openbaarheid, voor persvrijheid in het algemeen en vrijheid der dagbladpers in het bizonder, dan ik.”
In de jaren rond 1855, toen de Russen en een alliantie van Ottomanen, Fransen, Britten en Sardijnen vochten om de Krim, debatteerde politiek Den Haag over de vraag welke positie Nederland moest kiezen in dit conflict. De liberalen, onder leiding van Thorbecke, kozen partij voor de Europese bondgenoten die volgens hem het westerse vrijheidsideaal belichaamden, in tegenstelling tot het autocratische Rusland. Hun grootste opponent was Groen van Prinsterer, voorman van de antirevolutionairen, die vond dat een al te vijandige opstelling jegens Rusland bedreigend was voor de Europese vrede.
1856-1869 De onderwijskwestie als twistappel
In 1857 werd een nieuwe onderwijswet aangenomen (vernoemd naar Van der Brugghen) waarin werd vastgesteld dat het onderwijs algemeen christelijk moest zijn. Groen zag dit als een nederlaag: hij wilde dat het onderwijs protestants-christelijk was, of anders helemaal niet christelijk. Het bracht niet wat hij hoopte: de facultatief naar gezindte gesplitste staatsschool. Hij zag het aannemen van deze wet als een bevestiging van de door hem verafschuwde scheiding tussen kerk en staat en verliet uit protest de Tweede Kamer. Pas vijf jaar later ging hij de Tweede Kamer weer in. Hij groeide in zijn tijd in de Tweede Kamer uit tot één van de bekendste Nederlandse politici van de 19e eeuw.[21]
Ondanks die scheiding bleef de Nederlandse natie christelijk. Groen wilde geen godsdienstloze school, maar de openbare school t.b.v. de christelijke opvoeding. Evenmin wilde hij algemeen christelijk onderwijs waarbij alle gezindten aan dat principe onderworpen zouden worden. Over die kwestie schreef Gertjan Schutte het volgende stuk:
1858 Proeve over de middelen waardoor de waarheid wordt gekend en gestaafd
Deze uitgave van 1858 van een eerder uitgegeven Proeve uit 1834 is geen geheel nieuw werk, maar een herdruk met enkele wijzigingen en aanvullingen. De centrale vraag daarin luidt: Hoe kan de mens de waarheid kennen, en waarop berust de zekerheid van die waarheid? Groens antwoord is dat de waarheid uiteindelijk niet door de autonome menselijke rede wordt voortgebracht, maar door God geopenbaard wordt en door de Heilige Geest in het hart wordt bevestig
Waar Ongeloof en Revolutie (1847) laat zien wat er gebeurt wanneer een samenleving de goddelijke waarheid verwerpt, legt de Proeve eerst uit hoe die waarheid überhaupt gekend kan worden. In die zin is het boek de epistemologische onderbouw van zijn latere geschiedfilosofie en politieke denken.
https://chatgpt.com/share/6a6136cf-b480-83eb-ac85-2d9b59ee067d
1860 Le parti anti-révolutionnaire et confessionnel dans l’Église réformée des Pays-Bas
Dit werk schreef Groen rechtstreeks in het Frans, omdat hij zich niet alleen tot een Nederlands, maar ook tot een internationaal protestants publiek wilde richten. In de negentiende eeuw was Frans immers nog de belangrijkste taal van de Europese intellectuele en diplomatieke wereld. Er is nooit een zelfstandige Nederlandse uitgave van dit boek verschenen. Wel zijn veel onderdelen later in het Nederlands bekend geworden doordat ze terugkomen in tweede druk van Ongeloof en Revolutie (1868); verwerkt zijn in Nederlandsche Gedachten of voorkomen in zijn parlementaire redevoeringen en brochures. Le parti anti-révolutionnaire et confessionnel is veel praktischer en politieker van aard dan zijn Ongeloof en Revolutie uit 1847). Hier werkt Groen uit hoe christenen zich politiek behoren te organiseren en waarom een antirevolutionaire partij noodzakelijk is. Voor een vergelijking met Ongeloof en Revolutie en Groens ontwikkeling, zie https://chatgpt.com/s/t_6a746d4863c0819197c3bab98692e9cc
In 2015 (!) werd Wright dit geschrift vertaald door Colin in het Engels voor uitgaverij WordBridge Publishing[22] in Aalten onder de titel Christian Political Action in an Age of Revolution. From the Introduction:
“We have to choose between the sovereignty of man and the sovereignty of God. Reject sovereignty by the grace of God and you are left with nothing but radicalism…. There is no other option: you can have anarchy and servitude as the products of a social contract, or you can find the source of rights and liberty in the absolute and beneficial authority of God.”
“Our world is careening toward Armageddon, as the forces of autonomous man demand ever more control of and sovereignty over all of life, public and private, family and church, reaching even to the level of thought and conscience. The sooner Christians wake up to this fundamental reality, the sooner they will allow themselves to be used by God, as witnesses, prophets, and martyrs, in the midst of a wicked and perverse generation.”
For a review, see https://brill.com/view/journals/phir/81/2/article-p193_4.xml?
1863 Afschaffing Slavernij
Dr. Maartje Janse (Universiteit Leiden) noemt Groen als voorstander van de afschaffing van slavernij. „Hij vond wel dat slaveneigenaren moesten worden gecompenseerd. Verder wijdde hij er weinig woorden aan. Hij achtte zich te onkundig.” Later werd hij wel voorzitter van een vereniging tegen slavernij.
Ook het kolonialisme interesseerde hem nauwelijks. „Nederland ligt in Europa. Dat was zijn leefwereld”, aldus dr. Koosjan de Jager. „Slechts een enkele keer pleitte hij in debatten voor meer rechten van de inheemse bevolking van Indonesië.”
Na de Tweede Wereldoorlog beriepen protestantse politici zich op Groen van Prinsterer in het verzet tegen de opstand in Indonesië, aldus De Jager. „Men interpreteerde dat als revolutionaire opstand tegen het wettig gezag. Maar intussen sloot men zich af voor wat er echt gebeurde in Indonesië. Men was daar bezig een geordende staat te vormen met ruimte voor christenen.”
1864 Natuurlijk of ongerijmd?
Daarin gaf Groen zijn bezwaren tegen de ethische theologie bondig weer. Dit is een van de belangrijkste kerkpolitieke brochures van Groen van Prinsterer. Het is een open brief aan Johannes Hermanus Gunning jr., geschreven tijdens de kerkstrijd binnen de Nederlandse Hervormde Kerk. De brochure verscheen op 23 juli 1864. Groen betoogt dat de discussie niet in de eerste plaats over verdraagzaamheid gaat, maar over de aard van de kerk. Hij verwijt de ethische richting dat zij de kerkelijke crisis onderschat doordat zij meent dat waarheid vanzelf zal overwinnen zonder kerkelijke maatregelen. Groen stelt dat de ethische beweging, ondanks haar goede bedoelingen, heeft bijgedragen aan de verdere ontbinding van de Hervormde Kerk doordat zij geen duidelijke grenzen trok tegenover de moderne theologie.
Deze brochure vormt samen met Confessioneel of reglementair? (1864) en De maatregelen tegen de Afgescheidenen aan het staatsrecht getoetst een van de belangrijkste documenten voor het begrijpen van Groens visie op kerk en kerkrecht.
https://chatgpt.com/share/6a6134cd-0560-83ed-8249-d476320eddd8
Was Groen een bestrijder van de constitutie als zodanig?
‘Dit is zoo niet’, schreef hij in 1865, ‘vanaf 1829 ben ik een voorstander van constitutionele rechten en vrijheden geweest’, Aan de kiezers XIX, 25 mei 1865, p. 4/5.
1865-1867 Parlementaire studiën en schetsen
Dit is Groens omvangrijkste politieke publicatie uit zijn laatste levensjaren. Het derde deel uit 1866 is geen systematisch leerboek, maar een bundeling van artikelen, brochures en beschouwingen die hij schreef naar aanleiding van de actuele parlementaire gebeurtenissen van 1866. Ze verschenen oorspronkelijk in afzonderlijke afleveringen en werden later samengebracht. Dit boek is vooral waardevol omdat men Groen hier “aan het werk” ziet als parlementariër. Anders dan Ongeloof en Revolutie, dat een historisch-filosofisch werk is, laat Parlementaire studiën en schetsen zien hoe hij zijn beginselen toepast op actuele politieke vraagstukken.
1866-1868 Antirevolutionairen rondom Groen maken zich los uit de orthodox-protestantse groep
In april 1866 liep Groen nog met het plan rond om met de conservatieven een anti-moderne partij te gaan vormen. Groen zegde echter later dat jaar het vertrouwen in het conservatieve kabinet Van Zuylen Van Nijevelt-Heemskerk op, toen die zich tegen het bijzonder onderwijs keerde. Groen c.s. ontwikkelden tegen de Conservatieven op drie punten bezwaren:
Constitutioneel. In de jaren 1866-1868 werd tegen het conservatieve kabinet met protestantse invloed een principieel conflict uitgevochten door Liberalen en enkele Antirevolutionairen – L.W.C. Keuchenius binnen en Groen van Prinsterer buiten het parlement – over de parlementaire functionering van het staatsbestel. De Conservatieven en Groot-Protestanten dolven als verdedigers van een ongedifferentieerd nationale conceptie en de dominantie van koninklijke invloed het onderspit. Hiermee was de basis gelegd voor het democratische accent der latere ARP.
Koloniaal. Met name Keuchenius verzette zich tegen de handhaving van de cultuurstelselpolitiek der Conservatieven, die hij baatzuchtig achtte. Hij legde zo, voor wat de ARP betreft, de basis voor een ethische koloniale politiek, die later in Kuyper, Idenburg en De Waal Malefijt stem zou krijgen.
Onderwijs. In de schoolkwestie speelde de door de Conservatieven gehuldigde ongedifferentieerde voorstelling van een staat met algemeen christelijk karakter de voorstanders van christelijk onderwijs parten. De Conservatieven gebruikten allerlei halve beloften op onderwijsgebied om de antirevolutionairen voor hun staatsrechtelijke karos te spannen.
Het was Groen een doorn in het oog dat van 1866 tot 1871 de als antirevolutionair gekozen leden der Tweede zich gedroegen als een vleugel der Conservatieven, terwijl de eveneens als antirevolutionair beschouwde minister Van Zuylen van Nyevelt Groen evenzeer teleurstelde als Van der Brugghen tien jaar daarvóór. Alleen Keuchenius vertoonde tekenen van zelfstandigheid.
1867 Pruisen en de Nederlanden: Groens kritiek op Otto von Bismarck
In 1867 publiceert Groen een brochure Pruisen en de Nederlanden. Aan mijn vrienden in Berlijn. Groen schreef deze brochure naar aanleiding van de Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog van 1866. Deze zogenaamde Bruderkrieg mondde uit in een Pruisische overwinning en de inlijving in Pruisen van een aantal zelfstandige Noord-Duitse staten. Vanwege deze revolutionaire machtspolitiek stond Europa volgens Groen op een tweesprong: de diplomatie kon zich neerleggen bij een ‘systeem van voldongen feiten’ of zij handhaafde het Europese volkenrecht. Werd gekozen voor ‘ieder voor zich’, dan zette de diplomatie de toekomst van de kleine staten, waaronder ook Nederland, op het spel.
De Nederlandse historicus en filosoof Jelle Bijl ontdekte dat de wortels van Groens Europabeeld niet tot Johann Gottfried Herder zijn te herleiden, maar tot de Göttingense historicus Arnold Heeren (1760-1842). Het is zijn grote ontdekking geweest dat Groen met Heerens handboek over de geschiedenis van het Europese statenstelsel (Handboek der geschiedenis der oude staten) helemaal vergroeid was. Dit handboek uit 1809 gold in Europa in de eerste decennia van de negentiende eeuw als een standaardwerk. Hoewel Heerens revolutiebeschouwing de religieuze inkleuring mist van Groen, sloot deze volgens Groen naadloos aan op zijn eigen revolutiebeschouwing. Voor zijn aanname van de omwentelingsgeest als Europees bouwde hij zelfs nadrukkelijk voort op Heerens ‘Handboek’.[23]
Meer en diepgaander dan de Iers-Engelse politicus en filosoof Edmund Burke (1730-1797)[24] vertoont Groen in zijn antirevolutionaire optreden vanaf 1848 invloed van de Duitse rechtsfilosoof Friedrich Julius Stahl (1802-1861), the conservative Christian theorist of Friedrich Wilhelm IV’s Prussia.[25]
1869 In het isolement ligt onze kracht
In 1869 weigerde Groen ook om mee te gaan in de conservatieve Algemeene Kiesvereeniging, die door J. Heemskerk Azn. in 1868 was opgericht. Door zijn breuk met de conservatieven geraakte Groen steeds meer in het isolement. De kritiek die Groen leverde op de machtspolitiek van het Duitsland van Bismarck versterkte zijn isolement, omdat zijn antirevolutionaire vrienden het ‘revolutionaire’ Frankrijk als de grote vijand zagen.
In dat zelfde jaar brachten de bezwaren tegen de Conservatieven Groen er toe de leus, “In het isolement ligt onze kracht” aan te heffen. Hiermee hing ook zijn poging samen een programma vast te stellen.
1869 Het conflict Kuyper-Beets
Het inderdaad in de vereniging (Chr. Nat. School) CNS aangenomen school-wetprogramma leidde echter tot een conflict met Beets en Chantepie de la Saussaye, waardoor het grootste deel der Ethischen de bezwaren tegen de confessionele grondslag èn het gelegde verband tussen godsdienst en politiek nu liet prevaleren boven de belangstelling voor de christelijke school.

Eind jaren 60: exclusief christelijke partijvorming
In zijn recensie over de biografie van Roel Kuiper over Groen, zegt Bart Jan Spruyt: Mensen hebben vaak de neiging de woorden van Christus dat „wie niet voor ons is, tegen ons is” net iets meer ter harte te nemen dan de woorden „wie niet tegen ons is, is voor ons.” Groen zelf ging zoekend naar bondgenoten zijn weg, totdat hij eind jaren zestig besloot dat hij moest overgaan tot exclusief christelijke partijvorming.[26] Spruyt: Schrijvend over de relatie tussen Groen en Edmund Burke (1729-1797) meent Kuiper te mogen concluderen dat Groens positie „een wezenlijk andere” was dan die van Burke. Volgens Spruty wijkt Kuipers oordeel wel erg sterk af van de geestdrift en lof waarmee Groen zelf Burke in het kamp van de „conservatieven op christelijk-historische grondslag” trok.
Nederlandsche Gedachten (1869-1876) is de tweede serie van het gelijknamige orthodox-christelijke en antirevolutionaire tijdschrift, uitgegeven door de Nederlandse staatsman en historicus Guillaume Groen van Prinsterer. Hij zette deze publicatie voort tot aan zijn overlijden in 1876. [1, 2, 3, 4]
1870 Mijn autobiografie
Guillaume Groen van Prinsterer schreef zijn onvoltooide autobiografie vermoedelijk in de latere jaren van zijn leven (rond 1870 of de jaren daarvoor), maar het manuscript is niet gedateerd en werd pas later opgenomen in zijn nagelaten papieren. Hij beschrijft hierin onder andere zijn jeugd, zijn vroege vrijzinnige en liberale denkbeelden en hoe de ontmoeting met Willem Bilderdijk zijn wereldbeeld ingrijpend veranderde.
1871 Verbreking van de coalitie met de Conservatieven
Het conflict met Beets vanaf 1869 en de kritiek op de fractie, die haar leven niet beterde, leidden in onderling verband tot een keerpunt in 1871 in de wordingsgeschiedenis der Antirevolutionaire Partij.
Groen voelde zich een onbegrepen profeet, een roepende in de woestijn. Aan het einde van zijn leven vertrouwde hij veel antirevolutionaire Kamerleden niet meer, die zijns inziens te halfslachtig en te meegaand waren. Tijdens de aanloop naar de verkiezingen van 1871 schrapte hij van een lijstje allen die hem onvoldoende van dienst waren, overigens zonder hen hiervan van tevoren op de hoogte te stellen. Groens actie was dan ook een vervelende verrassing. Er bleven voor Groen nog drie antirevolutionairen over: Kuyper, M.D. van Otterloo en L.W.C. Keuchenius. Zij waren volgens Groen nog wel trouw aan de beginselen. [27]
Op dit keerpunt werd bewust gebruik gemaakt van twee nieuwe sociale technieken op politiek gebied: een programma en een (nog) gebrekkige organisatie. Groen trad op als geestelijk leider, Kuyper werd het organisatorische centrum van de campagne zelve.
Het program werd opgesteld en goedgekeurd door een uit Afgescheidenen en Confessionelen bestaande Redacteuren-conferentie. De pers ging één der voornaamste instituten vormen via welke de sociale beheersing werd gekanaliseerd. De zedelijke band tussen kiezers en gekozenen en handhaving van de zelfstandigheid der antirevolutionaire of christelijk-historische richting stonden voorop. Sjibbolet zou verder de onderwijskwestie zijn in de vorm van herziening van art. 194 Grondwet: de vrije school regel, de staatsschool aanvulling. Om deze doelen te bereiken was voorts in het kiesstelsel grotere evenredigheid nodig, in ieder geval census-verlaging (,,volk achter de kiezers”). De kamerleden zouden een ,,zedelijke binding” aan dit program moeten krijgen. Naar aanleiding van laatstgenoemd programmapunt zou zich de scheiding der geesten voltrekken.
1874 Groen wordt opgevolgd door Kuyper
Door zijn Kamerlidmaatschap was Abraham Kuyper opvolger van Groen (73) en leider van de antirevolutionairen geworden. Hij vormde zijn aanhang om tot een democratische partij in overeenstemming met de geest des tijds. Het beroep dat Groen enige malen gedaan had op het” volk achter de kiezers” verving hij door het streven, dit volk tot verantwoordelijke staatsburgers te maken. Zo werd onder zijn leiding de antirevolutionaire partij de eerste in ons land, die een goed functionerende organisatie kreeg, op plaatselijk, regionaal en landelijk niveau. De formulering van de grondslagen van de vernieuwde partij had haar oorsprong in het door Kuyper opgestelde verkiezingsprogram van 1874, waarmee Groen zijn instemming had betuigd. Zij werd later door Kuyper nader uitgewerkt en gepubliceerd onder de titel Ons Program.
Enkele hoofdpunten daarvan waren: Niet in de volkswil, maar in God is de bron van het soevereine gezag te vinden. Het staatsgezag is, niet door enige kerkelijke uitspraak maar alleen in de consciëntiën der overheidspersonen, aan Gods ordinantiën gebonden. Elke staatsvorm is bruikbaar; in ons land verdient een monarchie onder het huis van Oranje op historische gronden de voorkeur. De staat is een zedelijk organisme, waarin het beginsel van soevereiniteit in eigen kring gebiedend moet gelden, met voorkeur voor corporatieve structuren. Hervorming van het kiesrecht wordt bepleit door verlaging van de censusdrempel en afschaffing van het districtenstelsel; op grond van het organisch beginsel kome het stemrecht toe aan hoofden van huisgezinnen. Het onderwijs moet op alle niveaus zaak van de ouders zijn, zo nodig met overheidssubsidie. In de sociale kwestie moet evenwicht tussen de hogere en lagere klassen worden nagestreefd, zonder overheersing van de ene over de andere. Wat de koloniën betreft, wordt geen exploitatie, maar voogdij bepleit; de vraag is niet, wat Java ons geeft, maar wat God wil dat we voor Java zijn. Scheiding van kerk en staat is eis, maar de kerken blijven van publieken rechten. Partijvorming is voor christenen verplicht.[28]
1876 Groens Begrafenis
Op 14 april 1876, Goede Vrijdag, ging Guillaume Groen van Prinsterer voor het laatst van zijn leven aan het heilig avondmaal. Groen zat naast de voorzitter van de Haagse hervormde kerkenraad, dominee Charles Bryce.
Eeuwenlang was het gebruik om de doden in de kerk of binnen de muren van de stad te begraven. Daar kleefden allerlei bezwaren aan. Het was onhygiënisch en er was weinig ruimte voor. De doden zouden buiten de stad begraven moeten worden. Daarom werd er buiten Den Haag, op een duin bij Scheveningen, een begraafplaats aangelegd: Ter Navolging. De vader van Groen van Prinsterer, een arts, juichte dit streven toe. In 1876 is hij begraven op Ter Navolging.
Bijna zes weken later, op 23 mei, tijdens Groens begrafenis, vertelde Bryce erover: ‘O, met welk een kinderlijke vreugde drukte hij mij de hand, wijzende op die talrijke schare: “Hoe velen toch, die met ons in den verrezen en eeuwig levenden Heiland gelooven – wij winnen toch, goede vriend!’’.’ [29]
Op 4 juni 1884 werd er een gedenksteen onthuld op het graf van Groen en zijn vrouw, die op 14 maart 1879 was overleden.

Figuur 2 Het graf van Groen van Prinsterer en zijn echtgenote op begraafplaats Ter Navolging. – beeld: Haags Gemeentearchief
Groen was, zoals prof. A. Th. van Deursen schreef in een ARP-gedenkboek uit 1976, te vroeg geboren. Zijn standpunten zouden pas na zijn dood weerklank vinden in de publieke opinie. Omdat zijn streven niet was ingebed in een groter geheel, heeft hij tamelijk eenzaam zijn weg moeten zoeken, tastend en eclectisch, aan de hand van een handvol beginselen vooral reagerend op wat zich om hem heen voltrok. Wie zich met Groen bezighoudt, moet dus een omvangrijke kennis hebben van wat zich op tal van terreinen tijdens Groens leven afspeelde.
1879 Oprichting ARP
Drie jaar na zijn dood, werd op 3 april 1879 de ARP opgericht, als eerste politieke partij van Nederland.
1891 het Christelijk Sociale Congres gaf een impuls gegeven aan de sociale beweging in Nederland. In 1891 waren armoede en gebrek veroordeeld als strijdig met de orde die God had ingesteld voor het menselijk samenleven. ‘Afwijking van deze wetten en ordinantiën, door God aan zijn schepselen gesteld, is in het algemeen de oorzaak van alle sociale misstanden.’
In 1901 zou Kuyper zelfs minister-president worden. En in 1918 werd door het liberale kabinet-Cort van der Linden eindelijk de onderwijskwestie opgelost. Groen heeft het niet mogen meemaken
Rol als politicus
Zijn betekenis als politicus is, dat hij fundamentele vragen stelde, waarop een christen-politicus, en eigenlijk iedere politicus, een antwoord moet formuleren. Groen stelde een vraag die ook nu nog actueel is: hoe gaan we om met diversiteit of verscheidenheid in de samenleving? Hoe ga je met iets om waarmee je het eigenlijk niet eens bent. Omgaan met verschil, op een respectvolle manier: daar heeft Groen ons vandaag wel wat te zeggen.
Groen gaf zelf een duidelijk antwoord op die vraag. Hij wijst ongeloof en revolutie af en gaat uit van de protestantse identiteit van het land. Tegelijk laat hij tot op zekere hoogte ruimte voor verschil. Hij geeft katholieken en joden een plaats in het land en gaat respectvol om met meningsverschillen. Later in zijn leven benadrukt hij de legitimiteit van het verschil in politiek inzicht. De meeste predikanten en volksvertegenwoordigers wilden dat niet. Groen staat in een traditie van expliciet meningsverschil in de politieke arena [30]
OP 23 mei 2026 schreeft Bart Jan Spruty een opiniestuk voor het RD. Een dag na congres over hem in de Waalse Kerk in Den Haag en een week voordat ds. H. Klink en Gijsbert Leertouwer op de jaarlijkse Kohlbruggedag in Vianen de heruitgave presenteren van de machtige Groenstudie van dr. W. Aalders (”Theocratie of ideologie”).
De titel van zijn artikel is: Groens erfenis: schrik in de ziel. [31]Groen van Prinsterer zag zich geconfronteerd met een dilemma: aanvaarding van de neutrale staat, uit vrees voor erger, berooft die staat tegelijk van het fundament dat hem schraagt.
Ondanks zijn lange leeservaring heeft natuurlijk een bepaalde vertrouwdheid met zijn gedachtewereld opgeleverd, maar toch heeft hij vaak het idee gehad dat Groen hem telkens weer ontsnapte. Groen heeft geen systeem gegeven, maar enkele centrale inzichten. Over de oorzakelijkheid van ongeloof en revolutie, over geloof en politiek, over openbaring en geschiedenis. In de wisselende omstandigheden van de politieke en maatschappelijke actualiteit heeft hij die principes in redevoeringen en geschriften toegepast. Maar wat was nu de onuitgesproken rest die het hart, de centrale overtuiging in zijn leven vormt?
Samenvatting
Zijn artikel beschrijft Groens diepe zorg over de toekomst van het postrevolutionaire Europa. Volgens Groen had de Franse Revolutie het christelijk geloof als fundament van de samenleving vervangen door neutraliteit en gelijkheid. Daardoor ontstond een geestelijke leegte waarin ideologieën als nationalisme en radicaal liberalisme de plaats van het christendom konden innemen.
Groen wees het nationalisme af omdat een samenleving volgens hem niet bijeen wordt gehouden door alleen taal, grondgebied of nationale identiteit, maar door gedeelde morele en religieuze overtuigingen. Ook het radicale liberalisme bekritiseerde hij, omdat het de neutrale staat gebruikte om via het onderwijs een ongelovige levensbeschouwing op te leggen. Zo verandert de staat volgens hem in een “tirannieke kerk”.
Hieruit ontstond Groens fundamentele dilemma. Enerzijds wilde hij een strikt neutrale staat accepteren om te voorkomen dat één ideologie de macht zou monopoliseren. Anderzijds besefte hij dat een neutrale staat het christelijk geloof naar de privésfeer verdringt, waardoor het morele en culturele fundament van de samenleving geleidelijk verdwijnt. Democratie en vrijheid kunnen volgens Groen alleen functioneren wanneer burgers beschikken over de juiste deugden, ideeën en gevoelens.
In zijn debat met Johan Rudolf Thorbecke beroept Groen zich op Alexis de Tocqueville. Tocqueville stelde dat vrijheid alleen kan bestaan wanneer burgers moreel zijn gevormd. Groen deelt diens vrees dat deze vorming zal mislukken zodra het christendom zijn maatschappelijke invloed verliest. Dan valt uiteindelijk ook het fundament onder de democratie weg.
De auteur concludeert dat hierin de kern van Groens politieke denken ligt: een neutrale staat kan tijdelijk bescherming bieden tegen ideologische overheersing, maar kan niet zelf de morele voorwaarden scheppen die een vrije samenleving nodig heeft. Daarom blijft uiteindelijk slechts een “religieuze schrik in de ziel” over: de overtuiging dat een samenleving die haar christelijke fundament verliest, onvermijdelijk haar vrijheid en samenhang zal ondermijnen. Deze bezorgde verwachting vormt volgens de auteur het hart van Groens intellectuele erfenis.
Verhouding CHU en ARP
1873 Kuyper ontdekte in zijn correspondentie met Groen: “Niet de liberalen hadden de westerse vrijheden gebracht, maar de volgelingen van Calvijn, al twee eeuwen eerder.” Zie hier de geboorte van het neocalvinisme en ontwikkeling van een eigen politiek en maatschappelijk systeem
Zo niet A.F. de Savornin Lohman! Voor hem was politiek een zaak van praktische afwegingen en zijn aanhang zou zich nooit verleiden tot de verzuilde ‘protestants-christelijke’ wereld in het spoor van Kuyper.
1894 De breuk tussen Groens twee voornaamste discipelen, Kuyper en Lohman ontstond over de A.R.-staatsleer. In een column voor themanummer over Groen van WI-CU schrijft Johan Snel[32]: “Er speelden diverse tegenstellingen: een democraat versus een aristocraat; een gereformeerde tegenover een overwegend hervormde aanhang, maar ook een die zich al hun briefwisseling aandiende. Kuyper is er namelijk van overtuigd, dat er een antirevolutionaire staatsleer moet bestaan, helder onderscheiden van de conservatieven, liberalen en socialisten. Een fors deel van zijn briefwisseling met Groen is eraan gewijd.
Kuyper en zijn volgelingen ontwikkelden dus een eigen politiek en maatschappelijk systeem en zouden daaraan een eeuw vasthouden. Hoe anders Lohman. Voor hem was politiek een zaak van praktische afwegingen en zijn aanhang zou zich ook nooit laten verleiden tot de verzuilde ‘protestants-christelijke wereld in het spoor van Kuyper.
De vraag is natuurlijk, wie zich met het meeste recht kon beroepen op Groen. want dat deden beiden. Johan Snel: Groen was inderdaad conservatiever dan zijn tovenaarsleerling, en Lohman had keus te over om hem te citeren. Maar Kuyper had ook een punt: in zijn laatste jaren ging Groen verrassend vaak met hem mee en kon hij Kuypers democratische calvinisme waarderen, hij zag er kennelijk de toekomst van zijn eigen beweging in.
Voor Johan Snel is het aardige, dat hijzelf uit de niet-verzuilde wereld stamt, maar eerder Lohman dan Kuyper, eerder hervormd dan gereformeerd is. Omdat hij zich juist met Kuyper is gaan bezighouden, ontwaarde hij regelmatig ‘zwei Seelen in meiner Brust’.
Wat is wijsheid, in de politiek? Het meer principiële programma van de ChristenUnie of het meer pragmatische van het CDA?
Met enkele medestanders vormde Lohman in 1896 de meer conservatieve Vrije Antirevolutionairen, en in 1897 de christelijk historischen onder J. Th. de Visser. Na fusie met Friesche CH gingen zij in 1908 als Christelijk-Historische Unie (CHU) gezamenlijk verder. DE CHU was veel meer dan de ARP een conservatieve partij. DE CHU was tegen de kiesrechtuitbreiding en sociale wetgeving en voor de vorming van een christelijke staat. Kuyper en de ARP hadden daarentegen de neutrale overheid en de democratie geaccepteerd.
Ik zelf heb me als oudste zoon van een CHU-hervormde opa (smit) aan vaders zijde en een ARP-gereformeerde opa (kruidenier) aan moeders zijde (beide wonend aan de Dingemans van de Kastelenplein in ’s-Gravenzande, wat tocht het verschil was tussen de naar de Nederlands Hervormde kerkgangers en die van de Synodaal Gereformeerden in het hetzelfde dorp. Maar dankzij bovenstaande typering begin ik pas echt goed te begrijpen waar hun verschil op teruggaat. Nu stond de familie van Dijk, van opa smit meer bekend als serieus en notabel en die van familie van Zanten, als frivool en gezellig. Zouden die verschillen dan mogelijk toch ook te maken hebben met typische karakterverschillen en persoonlijkheden?
[1] ‘Christenwijsgeer is het tegendeel van sofist’ (Nederlandsche gedachten, 1873).
[2] https://www.trouw.nl/binnenland/toen-de-canon-nog-geen-canon-heette-moest-hij-vaderlandsliefde-aankweeken~bd689e3e/
[3] https://historiek.net/groen-van-prinsterer-en-de-belgische-opstand/147465/
[4] https://repub.eur.nl/pub/130999/RePub-130999-OA.pdf
[5] https://www.nrc.nl/nieuws/2020/10/02/de-nederlandse-geschiedenis-is-verzonnen-in-de-negentiende-eeuw-a4014478?t=1780756694
[6] In de ambtenarenwijk nabij de Schaarbeker Poort.
[7] https://viaa.nl/content/uploads/artikel-burgerschap_1.ashx_.pdf?
[8] https://www.rd.nl/artikel/1153781-hervormde-groen-herkende-in-afgescheidenen-zijn-geestverwanten
[9] https://www.rd.nl/oud/boek/boekgs/010919boekgs06.html
[10] Dat ontstond pas tijdens de Pacificatie in 1917, alleen heette het toen niet openbaar, maar bijzonder onderwijs, uitgaande van schoolverenigingen, niet van de staat.
[11] https://schatkamer.beeldengeluid.nl/serie/2101907010259839731/ovt/aflevering/2101608090079001231
[12] https://nl.wikipedia.org/wiki/Guillaume_Groen_van_Prinsterer
[13] J. de Bruijn en G. Harinck (red.), Groen van Prinsterer in Europese Context (Hilversum 2004). Volgens Bruijn en Harinck was het nationale en het Europese denken bij Groen complementair.
[14] https://www.dbnl.org/tekst/veld009anto01_01/veld009anto01_01_0017.php
[15] https://demodernetijd.nl/wp-content/uploads/2013-1c-Lok.pdf
[16] https://www.rd.nl/artikel/760253-groen-van-prinsterer-ongeloof-leidt-onvermijdelijk-tot-de-afgrond
[17] De ontwikkelingen stonden niet stil. In 1983 wijzigden de Staten-Generaal de Grondwet opnieuw. Toen kregen levensovertuigingen, zoals socialisme en liberalisme, dezelfde bescherming als godsdiensten. In de praktijk werkte dat al zo, maar de wetgever legde dat nu feitelijk vast + Het artikel over gelijke behandeling kreeg een vooraanstaande plaats en een belangrijke uitbreiding.
De cruciale uitbreiding in dit artikel 1 was het discriminatieverbod: „Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.” In 2023 is aan die reeks ook „handicap en seksuele gerichtheid” toegevoegd.
[18] https://www.rd.nl/artikel/1142963-de-staat-dringt-een-ideologie-op-aan-burgers-de-gelijkheidsideologie
[19] https://networks.h-net.org/node/35008/reviews/45634/zalar-alvarado-authority-not-majority-life-and-times-friedrich-julius
[20] https://www.dbnl.org/titels/titel.php?id=groe009nare01&utm_source=chatgpt.com
[21] https://isgeschiedenis.nl/nieuws/21-augustus-jarig-guillaume-groen-van-prinsterer
[22] https://wordbridge.net/books/church-and-state/christian-political-action-in-an-age-of-revolution https://canonpress.com/products/christian-political-action-in-an-age-of-revolution?
[23] https://doorbraak.be/guillaume-groen-van-prinsterer-en-de-belgische-opstand + https://historiek.net/groen-van-prinsterer-en-de-belgische-opstand/147465/
[24] Aan wie hij het onderscheid tussen factie en natie heeft ontleend.
[25] https://networks.h-net.org/node/35008/reviews/45634/zalar-alvarado-authority-not-majority-life-and-times-friedrich-julius
[26] https://www.rd.nl/oud/boek/boekgs/010919boekgs06.html?
https://share.google/aimode/QAH9PLLBuIez6lIVH
[27] https://nl.wikipedia.org/wiki/Guillaume_Groen_van_Prinsterer
[28] Dr. A.J. Rasker, De Nederlands Hervormde Kerk vanaf 1795 (1995, 5e druk), blz.209-210
[29] https://www.nd.nl/geloof/protestant/1314665/groen-van-prinsterer-wijst-gereformeerden-op-het-vlammend-sch
[30] https://www.nd.nl/nieuws/nederland/1034703/-groen-van-prinsterer-zou-moeite-hebben-met-de-stijl-van-de-hui
[31] https://www.rd.nl/artikel/1150193-groens-erfenis-schrik-in-de-ziel
[32] Johan Snel is docent CHE en auteur van De zeven levens van Abraham Kuyper: portret van een ongrijpbare staatsman. https://biografieportaal.nl/recensie/abraham-kuyper-gedreven-geweldenaar-in-zeven-rollen/
