De huidige 150-jarige herdenking van Groen van Prinsterer is niet de eerste!
Ik was nogal verrast hoe veel eerder en vaker Groen van Prinsterer herdacht is en er best veel monografieën, bundels, biografieën over hem zijn geschreven evenals het aantal proefschriften en promoties door de jaren heen. Hier volgt een naar ik verwacht zeer leerzame overzicht. Voor de leesbaarheid heb ik de biografiën en promoties in aparte blogs ondergebracht.
In 1926 kwamen Groens volgelingen naar de begraafplaats om zijn vijftigste sterfdag te gedenken evenals in 1929, bij de vijftigste verjaardag van de Antirevolutionaire Partij, waarvan Groen de wegbereider was. De enige stichter van de ARP die nog in leven was, Paul Fabius, sprak toen dat Groen nooit was nagevolgd, niet tijdens zijn leven, niet na zijn dood. Alleen de eenvoudigen hielden Groen in ere, meende Fabius. Smalend werden zij ‘de nachtschool’ genoemd, of ‘dat volk en die lui’.
In de jaren dertig, tijdens de kabinetten van ARP-leider Hendrikus Colijn, kreeg het woord antirevolutionair een andere belevingswaarde, zodat zelfs de Nationaal-Socialistische Beweging Groen annexeerde als voorbereider voor het nationaal-socialisme. De ARP verzette zich hiertegen. Groen was nl. tegen de verafgoding van de natie en had de expansiepolitiek van Bismarck-Duitsland scherp veroordeeld.
Groen ging wel uit van Nederland als een „protestantse natie”, maar een nationalist was hij niet, stelt prof. Fred van Lieburg (Vrije Universiteit). „Daarvoor had hij te veel buitenlandse contacten. Het Reveil draagt niet voor niets een Franse naam.”
Eind jaren dertig presenteerde juist de NSB zich als christelijk-nationale beweging en beriep zich op Groen. Legde Groen stiekem toch de basis voor christelijk nationalisme?
Dat niet, aldus prof. George Harinck (Theologische Universiteit Utrecht). Maar toch loopt er een lijntje van Groen naar de latere NSB. „In lijn met Groen zag Hoedemaker de natie als bezielde eenheid. Toen later de roep klonk van een bezielde eenheid van bloed en bodem, hadden veel nazaten van Hoedemaker geen verweer. Ze concludeerden dat binnen de protestantse natie geen Joden en katholieken pasten. Diverse volgelingen van Hoedemaker stapten over naar de NSB en speelden daar een prominente rol.
Socialisten dachten bij antirevolutionair aan Colijns bezuinigingen, antirevolutionairen aan hun eigen successen: zij stonden aan het roer van ‘het schip van Staat’. De principiële strijdbaarheid van Groen had plaatsgemaakt voor tevredenheid en zelfgenoegzaamheid.[1]
1940 Proefschrift over Groen van Prinsterer als historicus
Als historicus kwam Groen onder kritiek te staan. In februari 1940 promoveerde Hendrik Smitskamp aan de Vrije Universiteit op een vaak geciteerd proefschrift, Groen van Prinsterer als historicus. “Bij alle waardering formuleerde hij als kritiek dat Groen met een beroep op de Voorzienigheid knopen doorhakte die hij als vakman niet ontwarren kon. Ook het veelvuldig gebruik van Bijbelteksten in het Handboek achtte Smitskmap wel ‘stichtelijk’, maar voor het overige weinig ter zake.[2]
Volgens Smitskamp liet Groen zich leiden door het vooroordeel dat geloof en ongeloof de loop van de geschiedenis bepalen. Op geloof volgt zegen, op ongeloof volgt vloek. ‘Waar het maar enigszins kan wil hij een logische ontwikkeling constateren of construeren’, schreef Smitskamp. Hij vond Groen een logicist, die bovendien te weinig oog had voor niet-geestelijke factoren in de geschiedenis, zoals schaarste en prijzen. De latere christen-historicus J. Zwaan zei over Smitkamp, dat hij betrekkelijk weinig aandacht geschonken had aan Groens befaamde antwoord aan Mr. M.C. van Hall, een apologie waarin Groen op beknopte en heldere wijze zijn historiografische beginselen uiteenzet.
In de 2e Wereldoorlog
In de oorlog, toen de geest van de nazi’s door het land waarde, werd er toch weer op Groen teruggegrepen. ‘Regelmatig vergaderen en goed Ongeloof en revolutie van Groen van Prinsterer bestuderen’, bond Colijn zijn volgelingen op het hart.
Sieuwert Bruins Slot, de latere oprichter van het illegale blad Trouw (18 februari 1943) en leider van de ARP, [3]citeerde ook Ongeloof en revolutie van Groen in een brochure dan naar een citaat van hem vernoemd was.
Op 30 juni 1941 liquideren de Duitsers de Antirevolutionaire Partij, samen met de andere politieke partijen. Colijn en rond de negentig leden van het topkader worden van hun bed gelicht.
Het dagblad De Standaard is er nog wel, bij de gratie van de bezetter. Op 8 juli 1941, een week na de liquidatie van de partij, verkondigt het blad dat de antirevolutionairen die maatregel moeten ‘eerbiedigen’.
De bijbel gaf antwoord op de vraag wát de overheid was – niet wie
Zeker, in de bijbel wordt gesteld dat God meer gehoorzaamd moet worden dan de mensen, maar daar mag volgens De Standaard geen ‘gelegenheidsargument’ van worden gemaakt. Dat gebod geldt veel prangender omstandigheden, zoals indertijd de eis van de Romeinse keizer aan de eerste christenen hem goddelijke eer te bewijzen. Zolang men niet wordt gedwongen zijn ziel aan de Duitse bezetter te verkopen, is het beter te ‘berusten’, onder onverkorte handhaving van de antirevolutionaire beginselen.
Voor Bruins Slot is dit onbestaanbaar. Trouw blijven aan de antirevolutionaire beginselen betekent ‘geene uitlegging onderschrijven welke ons verpligten zou den booswicht die het moordtuig voorhoudt, gehoorzaam te zijn, of den gekroonden roover, die gisteren den wettigen vorst verjaagd heeft, heden als eene van God verordineerde magt te beschouwen’. Het citaat komt uit Groen van Prinsterers Ongeloof en revolutie. Het is te lezen in de illegale brochure De gekroonde roover[4], die in het najaar van 1941 van Bruins Slots hand verschijnt. Hij is dan juist afgetreden als burgemeester van Aadorp in de provincie Groningen, nadat de Duitsers het ‘leidersbeginsel’ hebben ingevoerd.
In 1944 maakten beriepen zo’n 90.000 gereformeerden zich los van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Zij beriepen zich daarbij op Groen van Prinsterer, die door A. Zijlstra oud-Kamerlid van de ARP theoloog en Cornelis Veenhof destijds als een strijder voor de ‘vrijmaking der kerk getypeerd.
Kort na de Tweede Wereldoorlog
Kort na de Tweede Wereldoorlog verscheen in 1945 – het al in 1942 geschreven boekje met de titel “Wat heeft Groen van Prinsterer ons vandaag te zeggen?’, geschreven door oud-premier Colijn en historicus Hendrik Smitskamp, die met veel citaten Groens actualiteit trachtte aan te tonen – werd goed verkocht. Groen werd vlak na de oorlog veel geciteerd door de gereformeerden die tegen de onafhankelijkheid van Indonesië waren. De Indonesische opstand was een revolutie in groeniaanse zin, een revolutie uit ongeloof, en moest daarom de kop in worden gedrukt. Er mocht niet met de opstandelingen worden onderhandeld.
De onverzettelijkheid waar de ARP in de oorlog zo om werd geroemd, zorgde er na de oorlog voor dat de partij tot 1952 buiten de regering bleef. Hier was niet alleen de erfenis van Colijn, maar ook die van Groen debet aan, die na de oorlog in waarde daalde, ook bij Bruins Slot. Hij had de Indonesische revolutie (1945-1949) bestreden met een beroep op Groen, en daarvan spijt gekregen.
Na 1945 ontnam het herstel van de parlementaire democratie in Nederland het gereformeerde verzet tegen de volkssoevereiniteit zijn scherpste kantjes. De Revolutie verloor daardoor veel van haar afschrikwekkende kracht. In plaats van het groeniaanse ‘ongeloof’ begonnen gereformeerde analyses van de tijdgeest de zakelijke begrippen ‘secularisering’ en ‘ontkerstening te gebruiken. Binnen zowel de Hervormde Kerk als de Gereformeerde Kerk ken zag men in deze secularisatie soms zelfs een terecht oordeel over kerkelijke verstarring, en een uitdaging voor de christenheid. Moderne gereformeerden begonnen de oude ‘antithese’ als schadelijker te beschouwen dan de doorwerking van het revolutiebeginsel in politiek en samenleving. Zelfs jonge juristen en historici uit antirevolutionaire kringen lieten in een herdenkingsbundel uit 1949 weinig heel van Groens revolutiekritiek.[5]
1949 Lustrumbundel Groens ongeloof en revolutie. Een bundel studiën
De kritiek vond weerklank. In 1949 publiceerde het Gezelschap van Christelijke Historici de 5e lustrumbundel Groen’s Ongeloof en Revolutie, met opstellen van antirevolutionaire academici zoals H. Smitskamp, H.J. Smit, A.A. van Schelven, J.C.H. de Pater, H. Doooyeweerd, A.M. Donner en Z.W. Sneller.[6] De bundel verscheen ruim een eeuw na de eerste uitgave van Ongeloof en Revolutie (1847) en had als doel Groens hoofdwerk opnieuw historisch en wijsgerig te doordenken, niet alleen als politiek manifest maar vooral als een werk van christelijke geschiedbeschouwing. De redactie was in handen van L.C. Suttorp, Z.W. Sneller en Jan Veldkamp. De bundel uit 1949 leek een fase in te luiden van kritische distantie ten aanzien van Groens geschiedbeschouwing. Groens geschiedschrijving zou inconsequent en eenzijdig zijn. Hoewel hij spreekt over een “logische ontwikkeling” van revolutionaire beginselen, bedoelt hij volgens meerdere auteurs geen mechanisch historisch determinisme. Mensen blijven verantwoordelijk voor hun keuzes.
Enkele auteurs vragen zich af of Groen de geschiedenis niet te sterk vanuit één idee verklaart.[7] Zij vragen bijvoorbeeld:
- loopt de geschiedenis werkelijk zo logisch van ongeloof naar revolutie?
- is de werkelijkheid niet ingewikkelder?
- is er niet meer continuïteit tussen christelijke en moderne cultuur dan Groen erkent?
Deze kritiek richt zich vooral op Groens neiging om de geschiedenis vanuit één fundamenteel beginsel te interpreteren. Later zou onder anderen A.J. van Dijk deze discussie uitvoerig beschrijven als een van de belangrijkste controverses rond Groen.[8]
Dr H. Smitskamp geeft in de eerste verhandeling, die in deze bundel voorkomt een gedegen studie over de totstandkoming van het werk, de opzet en het karakter en de weerklank die het wekte.
Dr H. J. Smit handelt over: „Groen en de prae-revolutionaire staatsvormen”, waarbij de geleerde schrijver tracht de gedachtenwereld te schetsen, die op Groen, tijdens het schrijven van Ongeloof en Revolutie heeft ingewerkt. [9] Hij schrijft over:
- Groens visie op de middeleeuwse en vroegmoderne staat
- historische achtergronden van zijn staatsopvatting en
- waarom Groen de Revolutie niet zag als een noodzakelijke historische vooruitgang.
Dr A. A. van Schelven geeft een beschouwing over „Groen’s denkbeelden over de Reformatie, waarin hij de anti- Aufklëringshouding van dezen groten historicus en staatsman duidelijk omschrijft.
Dr J. C. H. de Pater schetst de beschouwing van Groen over het beloop der Franse revolutie. Hij vond dat Groen te veel het historisch gewordene aanprees en ook geen oog had voor andere dan ideële factoren die de loop van de geschiedenis bepaalden. Ideeën zouden bij Groen allesbeheersend zijn, in welk verband De Pater zelfs sprak van ‘mechanisch idealisme’, een term die door Kamphuis bestreden werd. Bij de andere factoren die Groen verwaarloosd zou hebben, dacht De Pater met name aan de verouderde privileges en de inflatie. Van Deursen stelde later hier tegenover dat de inflatie in de aard van het revolutieproces lag en verder dat de strijd van de revolutionairen tegen historische privileges, op zichzelf begrijpelijk, toch voor Groen niet acceptabel was, omdat de revolutionairen zich niet op Gods wet beriepen. Vóór de revolutietijd was Gods wet het finale criterium.
Dr A. M. Donner schrijft over het oorzakelijk verband tussen ongeloof en revolutie
Rechtsfilosoof prof. dr. H. Dooyeweerd bracht naar voren dat Groen niet vrij was van een zeker ‘historisme’. In zijn bijdrage Het historisch element in Groen’s staatsleer schrijft hij over de kritiek op rationalistisch natuurrecht; de ontwikkeling van het anti-revolutionaire staatsbegrip en de verbinding tussen geschiedenis en normativiteit en gaat hij in op de wijsgerige grondslagen van Groens denken.
Het slotartikel van Dr. Z. W. Snelle geeft bijzonderheden over de aanval van dr. R. Fruin op de auteur van genoemd werk. Volgens de auteurs heeft Groen niettemin:
- de basis gelegd voor de antirevolutionaire staatsleer;
- een eigen christelijke geschiedfilosofie ontwikkeld;
- sterk bijgedragen aan de latere ideeën van onder anderen Kuyper.
Zij benadrukken dat zijn betekenis verder reikt dan de politiek: hij wilde vooral een christelijke interpretatie van de wereldgeschiedenis bieden. Vanuit het perspectief van latere Groen-onderzoekers is deze bundel bijzonder belangrijk omdat zij de eerste systematische wetenschappelijke studie van Ongeloof en Revolutie vormde. Tegelijk staat zij nog dicht bij de antirevolutionaire traditie.
In 1951 promoveerde Lou Brants bij Smitskamp, die inmiddels hoogleraar aan de VU was geworden, op Groen’s geestelijke groei. Ook Brants was kritisch. Groen zou ‘logicistisch’ zijn en het historisch gegroeide tot norm verheffen. Oudere antirevolutionairen betreurden de kritiek. ARP-leider Jan Schouten, de opvolger van Colijn, vond de kritische studies ‘bar’.
De kritiek werd opgepikt door historici buiten de gereformeerde wereld, vooral door de Utrechtse hoogleraar Pieter Geyl, die de christelijke historici duidelijk maakte dat ze te lang een idool waren gevolgd die een slecht historicus moest heten. Hij vond Groens Ongeloof en Revolutie wetenschappelijk gezien ‘één grote vergissing’. Pieter Geyl schreef dit in 1951 in zijn opstel ‘Fruin contra Groen, 1853-1854’, misschien wel het meest kritische stuk dat ooit over Groen geschreven is. Hij zei dat Groen gevangen zat in het vooroordeel en dat hij in de geschiedschrijving niet meer meetelt.[10]
1951 herdenkingsbundel Groen van Prinsterer herdacht
Deze bundel werd uitgegeven ter gelegenheid van de 75e sterfdag van Groen van Prinsterer (1876–1951). De bundel bevat drie bijdragen van auteurs uit verschillende protestantse tradities:
- K. Dijk – Groen van Prinsterer en de politiek
- G.C. van Niftrik – Groen van Prinsterer en de Kerk
- J.J.R. Schmal – Groen van Prinsterer en het onderwijs
Van Niftrik (1909–1972), hervormd theoloog en hoogleraar in Utrecht, benadert Groen niet in de eerste plaats als staatsman of historicus, maar als kerkelijk denker. Zijn essay is waarderend, maar ook kritisch.
Niftrik meent dat Groen de kerk soms te veel identificeerde met haar confessionele formuleringen. Volgens Van Niftrik krijgt de belijdenis bij Groen een bijna tijdloze status.
Hij schrijft dat Groen de kerk enigszins “platonisch” benadert:
- de ware kerk verschijnt als een ideale werkelijkheid;
- de zichtbare kerk blijft daar steeds bij achter.
Deze karakterisering heeft later veel aandacht gekregen in het Groen-onderzoek. Een recente studie vat Van Niftriks kritiek samen als de gedachte dat Groens kerkbegrip “te statisch” is en dat de belijdenis als een verheven idee boven de weerbarstige werkelijkheid van de kerk blijft zweven. Van Niftrik, die sterk door Karl Barth beïnvloed was, legt meer nadruk op:
- Gods actuele spreken;
- voortdurende reformatie;
- de levende gehoorzaamheid van de kerk.
Van Niftriks interpretatie heeft later invloed uitgeoefend op historici en theologen die de verhouding tussen Groen en het platonisme onderzochten. Zijn typering van Groens kerk- en geschiedopvatting als in zekere zin “platonisch” is daarna door verschillende auteurs besproken, soms overgenomen en soms juist bestreden.
1952 Protest van J.P.A. Mekkes
Met Groen in de hand werd door de reformatorische filosoof Johannes Pieter (J.P.A.) Mekkes (1898-1987)[11] de ‘progressieve’ ARP, die in 1952 tot een regering met de PvdA toetrad [Kabinet Drees II), aangevallen. De naoorlogse PvdA had zich als een brede volkspartij gepresenteerd waarin christenen, socialisten en liberalen samen konden werken. Hoewel Mekkes erkende dat veel PvdA-politici persoonlijk christelijk waren, vond hij dat de partij als geheel niet uit een expliciet christelijk staatsbeginsel dacht. Mekkes vond dat de ARP onder invloed van het naoorlogse politieke klimaat steeds pragmatischer werd. Regeringsverantwoordelijkheid kreeg volgens hem voorrang boven principiële politiek. Hij zag daarin een breuk met Groen, die had volgehouden dat:
- politieke samenwerking nooit ten koste mocht gaan van het christelijke beginsel;
- de Revolutie (niet alleen de Franse Revolutie, maar de autonomie van de mens als hoogste norm) principieel bestreden moest worden;
- christelijke politiek een getuigenis moest zijn, niet alleen een bestuurstechniek.
Volgens Mekkes was de ARP bezig het antirevolutionaire karakter te vervangen door een algemeen christelijk-humanitaire politiek. Opvallend genoeg richtte Mekkes zijn kritiek niet alleen op de ARP-leiding. Hij vond dat veel neocalvinisten:
- Kuyper belangrijker waren gaan vinden dan Groen;
- organisatorisch succes belangrijker maakten dan principiële trouw;
- de politieke praktijk lieten overheersen boven de belijdenis.
Daarom greep hij juist terug op Groen als de oorspronkelijke vertegenwoordiger van het antirevolutionaire denken.
Historici als George Puchinger en Roel Kuiper wijzen erop dat Groen zelf vaak pragmatischer was dan Mekkes suggereerde. Groen werkte geregeld samen met liberalen wanneer dat het christelijk belang diende en maakte onderscheid tussen samenwerking in concrete politieke dossiers en overeenstemming in beginselen.
Mekkes las Groen daarom vooral normatief: hij gebruikte Groen minder als historische figuur dan als maatstaf voor de beoordeling van de naoorlogse christelijke politiek. Zijn kritiek was filosofisch en principieel, niet primair historisch.
1954 voorpagina van het Gereformeerd Gezinsblad
Groen bleef daarentegen in ere bij de gereformeerden die zich in 1944 hadden vrijgemaakt van de gereformeerde synode.
Op 1 oktober 1954 was er iets nieuws te zien op de voorpagina van het Gereformeerd Gezinsblad, de voorloper van het Nederlands Dagblad. Rechts bovenin stond een portretje van de gereformeerde politicus en historicus Guillaume Groen van Prinsterer (1801-1876), met daarnaast een citaat van hem: ‘De christen heeft geen ander recht dan onderdanig te zijn aan de gestelde machten.’

In de volgende 130 nummers bleef Groen op de voorpagina, steeds vergezeld van een citaat van hem. ‘Woorden van mr. G. Groen van Prinsterer’ heette de rubriek.
Destijds werd de krant geleid door hoofdredacteur Pieter Jongeling. Net als Groen geloofde Jongeling dat ongeloof tot rampen en revolutie leidde. ‘Het zaad van de voortgaande afval heeft in onze eeuw reeds twee bloedige oorlogen opgeleverd’, schreef Jongeling in 1948. In het Gereformeerd Gezinsblad noemde hij Piet Geyl een ‘eminent geleerde’, maar: ‘hij houdt in zijn historiebeschouwing absoluut geen rekening met wat God ons in Zijn Woord heeft geopenbaard over het begin, de voortgang en het einde van de geschiedenis’. Groen deed dat wel. Tussen Groen en Geyl lag de antithese.
Het was ‘Gods wraak over een afvallig werelddeel’. Vaak verwees hij naar Groens belangrijkste werken, Ongeloof en Revolutie en Handboek der Geschiedenis van het Vaderland.
1962 Oratie prof. J. Kamphuis over de hedendaagse kritiek op Groen van Prinsterer alshistoricus
Toen de wetenschappelijke waarde van Groens geschiedschrijving door enkele VU-critici in de jaren 50 werd gerelativeerd, werden zij fel bestreden door de vrijgemaakte kerkhistoricus Jaap Kamphuis. Op 6 december 1962 hield prof. J. Kamphuis bij de overdracht van het rectoraat de Theologische Hogeschool van de Gereformeerde kerken in Nederland een rede over Groen: De hedendaagse kritiek op de causaliteit bij Groen van Prinsterer als historicus, waarin hij Smitskamp bestreed en veel waardering oogstte. Smitskamp zou Groens visie op Gods hand in de geschiedenis niet goed hebben begrepen. Hij zou het verband tussen oorzaak en gevolg, tussen ongeloof en revolutie, te dwingend hebben voorgesteld. Die causaliteit was bij Groen niet iets ‘mechanisch’ of ‘wetmatigs’, maar een religieus gegrepen verband, zoals het verband tussen wortel en tak, waar Jezus over spreekt.
Kamphuis bestreed termen als ‘mechanische causaliteit’ (Smitskamp), ‘mechanisch idealisme’ (De Pater en Geyl) en ‘logische causaliteit’ (Brants). Met deze termen typeerden de genoemde auteurs Groens opvatting over de causaliteit in de geschiedenis. Kamphuis benadrukte dat een vergelijking niet hetzelfde is als een gelijkstelling. Groen vergeleek de historische causaliteit weliswaar met de zwaartekracht, maar stelde de termen bepaald niet gelijk aan elkaar. Voorts bestreed Kamphuis dat bij Groen sprake zou zijn van tweeërlei causaliteit in die zin van gescheidenheid van Goddelijke factoren in de geschiedenis en daarnaast ‘gewone’, natuurlijke factoren. Kamphuis ging er vanuit, dat Groen van opvatting was – net als hijzelf en daarvóór Berkouwer en Smit – dat God aan het werk was door alle menselijke factoren heen. Dit uitgangspunt lijkt nu algemeen onomstreden bij Groens geestverwanten.
GPV-leider Pieter Jongeling was Kamphuis dankbaar dat hij ‘de libertijnse aanvallers en de capitulanten van de V.U.’ had nagerekend: ‘Dat hij erin geslaagd is aan te tonen dat zij Groen geen recht hebben gedaan en dat diens geschiedenisberekening principieel en wetenschappelijk juist is.’
1963 Groen uit de gratie !?
Toen de ARP vanaf de jaren zestig de deur naar de samenleving en wereld steeds verder openzette, raakte Groen uit de gratie.
Bruins Slot schreef in 1963: ‘In de eerste jaren, dat ik hoofdredacteur van Trouw was, placht ik ter verklaring en verduidelijking van wat toen – dus in de jaren kort na 1945 – in Nederland politiek aan de orde was, nogal eens Groen van Prinsterer en diens strijd als illustratie te gebruiken. Het is mij slecht bekomen. Ik kreeg brieven, zo in de trant van: “Schei toch eens uit over de oude kerel uit de vorige eeuw. Die interesseert ons niet. Wij leven vandaag en wij willen de problemen in het licht van vandaag beoordelen.” Ik ben er dus wat mee opgehouden en heb het sterk verminderd.’ Belangrijk was vooral Bruins Slots wending tijdens de Nieuw-Guinea-kwestie. Op 6 september 1962 zei hij tijdens het Kamerdebat over de goedkeuring van de reeds tot stand gekomen soevereiniteits-overdracht: ‘Strijd voor een zaak van recht kan een plicht en zelfs een zege zijn, zeide Groen van Prinsterer, maar een strijd die zinloos is, omdat het beoogde resultaat daardoor nimmer zal worden verkregen, is zedelijk niet aanvaardbaar. De nobelste bedoelingen worden in hun tegendeel verkeerd als zij alleen tot rampspoed leiden.
Groen heeft de mensen weinig meer te zeggen, zei hij in 1965. Groen was gedateerd, ‘en wat is zijn werk een hutje-mutje van ideeën door elkaar!’
1968 G. Puchinger – Hergroepering der partijen
De geestelijke nazaten van Groen zochten toen voor de actualiteit ook naar een herijking van hun uitgangspunten, hun beginselen. Puchinger stelde hen in enkele van zijn interviews dezelfde vraag die Henk Smitskamp al in 1945 gesteldhad: “Wat heeft Groen van Prinsterer ons vandaag te zeggen?’. Op die vraag antwoordde CHU-Kamerlid freule Christine Wttewaal van Stoetwegen: “Niets”.

1976 Staatsman ter navolging. Groen van Prinsterer herdacht
Op 19 mei 1976 herdachten ARP en CHU in de Waalse Kerk te ’s-Gravenhage samen de 100-jarige sterfdag van Groen van Prinsterer. Deze gezamenlijke herdenking was meer dan een historische plechtigheid. Ze had ook een duidelijke politieke betekenis. De Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en de Christelijk-Historische Unie (CHU) stonden midden in het proces van vorming van het CDA en wilden laten zien dat zij zich gezamenlijk beschouwden als erfgenamen van Groen. (DNPP Repositories).
Had Groen nog ruim vijftig jaar verder kunnen kijken, zou hij dan verheugd zijn geweest over een politiek samengaan van katholieken en protestanten in een CDA?” zo vraagt dr. G.A.M. Beekelaar zich af. Een duidelijk antwoord is volgens hem niet te geven, omdat Groen in zijn denken en doen typisch aan de 19de eeuw gebonden blijft. Maar dekt — gezien de titel van het boek — de vlag de lading dan wel?
Zo zou men eveneens geneigd zijn bij de frequente ontmoeting met Groens devies: „Tegen de revolutie het Evangelie!” te verzuchten: welk Evangelie? Een sociaal evangelie dat vervluchtigt tot een humanistisch getinte medemenselijkheid? Of een Evangelie dat een steen des aanstoots en een rots der ergernis vormt?
De herdenking bestond uit verschillende onderdelen:
- Kranslegging op Groens graf
De dag begon met een kranslegging op Groens graf op de begraafplaats Ter Navolging in Scheveningen. Minister W.F. de Gaay Fortman hield daar een toespraak waarin hij Groens betekenis voor de Nederlandse constitutionele ontwikkeling en de christelijke politiek onderstreepte. (Digibron) - Herdenkingsdienst in de Waalse Kerk in Den Haag
Vervolgens vond in de Waalse Kerk een herdenkingsdienst plaats. Daar spraken drie gezaghebbende vertegenwoordigers vanuit verschillende invalshoeken:- Dr. Willem Aalders over Groen als theoloog; Zijn toespraak is integraal opgenomen in De Tijdgeest weerstaan uit 1984
- Prof. Dr. Johan Willem van Hulst over Groen en het onderwijs;
- Mr. André Donner over Groens staatsrechtelijke en politieke ideeën. (Digibron)
- Gezamenlijke publicatie
De ARP en CHU brachten hun politieke weekbladen en wetenschappelijke tijdschriften uit met speciale Groen-nummers. Wat toen op de herdenkingsdag geschreven en gesproken werd vond men zó waardevol en uniek, dat men er een gedenkbundel van gemaakt heeft, die breder is samengesteld dan alleen uit de toespraken van die dag. Zij bevat artikelen uit partijbladen, wetenschappelijke tijdschriften én enkele speciaal opgenomen bijdragen. In Een staatsman ter navolging. Groen van Prinsterer herdacht (1876–1976) belichten niet minder dan 34 vooraanstaande figuren uit wetenschap, politiek of kerk een aspect van Groen. Want niet alleen de staatsman, maar evenzeer de ‘kerk-man’ Groen komt aan de orde.
Aantjes voert boven zijn artikel het opschrift: „Wij moeten weer terug naar Groen!” een opschrift waarachter men enig leedwezen en schuldbesef zou zoeken. Groens principiële overtuiging brengt hem in de politiek op een eigen weg, die noch bij rechts, noch bij links, noch bij het midden uitkomt!” Groen voer op het kompas der waarheid! De oplossing is echter vrij dubieus, want waarheid is voor een protestant altijd nog getaxeerd naar Schrift en belijdenis en niet naar de norm van een bisschoppelijk mandement.
Opvallend is dan ook het vormingsinstituut van de Katholieke Volkspartij (KVP) aan de uitgave meewerkte, wat de toenemende samenwerking binnen het toekomstige CDA weerspiegelde. Het RK-voorwoord zegt: ‘de drie vormings-stichtingen van A.R.P., C.H.U. en de K.V.P willen er ook het integratieproces van de drie partijen mee begeleiden’. Zij moeten bedenken, ‘dat wie in elkaars familie treden niet eigen herkomst en karakteristieken prijs geven, maar de wederzijdse voorouders aanvaarden als stamvader van hun gemeenschappelijke toekomst’. Op de achterzijde van de bundel prijken dan ook de letters: CDA.
De KVP-voorman Andriessen moet toegeven dat de katholieken — als CDA-partners — Groen van Prinsterer slecht kennen. Maar het is goed Groen te gedenken, „want hij was immers de exponent van een nog onverdeeld evangelische richting, hetgeen bijzonder stimulerend is voor ’t CDA-in-wording”. Toenemende mistvorming dus en weinig kans op opklaringen
Pijnlijk afwezig zijn de S.G.P. en het G.P.V. Niettemin is er in herdenkingsbundel wel opvallend bijdrage van dominee H. G. Abma namens de SGP opgenomen, waarin hij deze hele herdenking vanuit Groen zelf bekritiseert en zei: “Ik ben opgegroeid in een Groeniaanse atmosfeer…Groen was de lucht die we inademden. Eigenlijk kenden wij twee vaders des vaderlands, wij reformatorisch volksdeel. Twee Guillaumes. Le taciturne en onze Tacitus.” Abma schrijft niet zozeer over Groen als historische figuur, maar stelt de lezer onder het oordeel van Groen zelf. Abma keert het gebruikelijke perspectief om. Volgens hem is de wezenlijke vraag niet: “Wat vinden wij van Groen?” maar: “Wat zou Groen van óns vinden?” Daarmee maakt hij de herdenking actueel en zelfkritisch. Groen mag niet worden gereduceerd tot een historische grootheid die men bewondert; hij moet als profetische stem blijven spreken tot het heden. Politiek was voor Groen geen kwestie van haalbaarheid alleen, maar van gehoorzaamheid aan Gods Woord. Daarmee laat Abma impliciet ook kritiek horen op de politieke ontwikkelingen van de jaren zeventig, waarin ARP, CHU en KVP opgingen in het CDA. Groen mag volgens hem niet worden gebruikt als legitimatie voor iedere christelijke politieke samenwerking wanneer daarbij de principiële grondslag vervaagt. Deze gedachte werd ook door recensenten zoals C. Blenk als het meest indringende element van de bundel aangewezen. (Digibron)
Volgens historicus Roel Kuiper was het herdenken van ARP en CHU een laatste vaarwel aan Groen, omdat beide partijen in 1980 met de KVP opgingen in het Christen Democratisch Appel.[12] Om deze reden spuugde het reformatorische blad Koers – vanaf 1975 een spreekbuis van de RPF – zijn gal uit over de ARP. Met een beroep op Gods Woord en Groen bekritiseerde ‘klein-rechts’ in de jaren 80 de ontkerstening van het publieke domein en het CDA, dat onvoldoende principieel zou zijn. RPF-leider Meindert Leerling, die van 1981 tot 1994 in de Kamer evangeliseerde tegen het recht op zelfbeschikking en de gelijke behandeling, identificeerde zich sterk met Groen.
- Nationale erkenning
Ter gelegenheid van de herdenking gaf de PTT een speciale herdenkingspostzegel uit.[13] De eerste exemplaren werden aangeboden aan minister De Gaay Fortman en aan de voorzitters van ARP en CHU. De uitgifte was op initiatief van het ministerie van Binnenlandse Zaken tot stand gekomen. (Nationaal Archief)

Figuur 2 In dit portret komen de karakteristieken van zijn persoonlijkheid, zoals zijn rechtlijnigheid, beginselvastheid, zijn betekenis voor evangelieverkondiging en onderwijs, goed tot uiting. Het portret is geplaatst tegen een achtergrond die een gedeelte uit het boek Jeremia[14] in de Bijbel weergeeft, waarmee ook de hantering van het Evangelisch Woord gesuggereerd wordt. Groens trouw aan het vorstenhuis wordt weergegeven door een basisstrook in de kleur oranje.
Politieke betekenis
De herdenking had een sterk symbolisch karakter. Door Groen gezamenlijk te herdenken presenteerden ARP en CHU hem als de gemeenschappelijke grondlegger van de protestants-christelijke politiek. Daarmee ondersteunden zij de ideologische basis van de op handen zijnde vorming van het CDA. Historicus Ewout Klei merkt in themanummer van april 2026 van WI van CU op, dat deze gezamenlijke herdenking paste in de zoektocht naar een gedeelde christendemocratische identiteit. (wi.christenunie.nl)
Opvallend was echter dat de kleinere protestants-christelijke partijen niet meededen. Zij en de in 1975 opgerichte RPF zagen zichzelf als de ware erfgenamen van Groen. Zowel de Gereformeerd Politiek Verbond (GPV) als de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) sloegen de uitnodiging af. GPV weigerde toen samen met hen de grote voorman te herdenken, omdat die andere twee partijen zijn nalatenschap zouden verkwanselen door met de KVP fusiebesprekingen aan te gaan. Het GPV verklaarde dat de inhoudelijke verschillen met ARP en CHU inmiddels zo groot waren dat een gezamenlijke herdenking van Groen niet geloofwaardig zou zijn; het organiseerde daarom op zaterdag 15 mei een eigen herdenkingsbijeenkomst in de Buitensociëteit te Zwolle, waar prof. J. Kamphuis en fractievoorzitter P. Jongeling het woord voerden. (Digibron)
Juist daardoor kreeg de herdenking een dubbele betekenis: zij was niet alleen een eerbetoon aan Groen van Prinsterer, maar ook een publieke manifestatie van de protestants-christelijke vleugel die zich voorbereidde op het CDA en daarmee een eigen interpretatie van Groens politieke erfenis claimde.
In zijn lezing merkte dr. W. Aalders op dat de grondfout der ethisch-irenische richting, tegen welke Groen zijn leven lang slag heeft moeten leveren, bestaat in de verwantschap met de dwaling van de tijd, met het liberalisme en de moderne theologie. „Terwijl zij tolerant en toegeeflijk zijn tegenover de modernen, nemen zij een polemische houding aan tegen de orthodoxen en confessionelen“. Als men dit zo leest, schrijft W. van der Zwaag in RD van 18 maart 1977, zou men gaan denken dat de ethisch-irenischen slechts een naams- en gedaanteverwisseling hebben ondergaan. Groens medechristenen hebben volgens Aalders de importantie van zijn devies: „Tegen de revolutie het Evangelie” niet gepeild, hetgeen zelfs voor Da Costa en Abraham Kuyper geldt. Daarom is Groen ook een vreemde eend gebleven in de theologische bijt en tot zijn dood een vreemdeling in eigen land en kerk. „Wel is er reden om te eindigen met de verzuchting: „Zulke evangelie-belijders — zijn die er nog in onze eeuw?” Aldus het slot van een duidelijk sceptisch gestemde Aalders.[15]
Dr. W. Aalders heeft zijn lezing en gedachten over Groen van Prinsterer uitgewerkt in1977F in het invloedrijke boek Theocratie of ideologie. In zijn essay over Groen, schrijft Bart Jan Spruyt: In dit boek schreef Aalders uitvoerig over het negentiende-eeuwse Reveil, over de spiritualiteit van de mensen (theologen én leken) die deze opwekking binnen de Nederlandse Hervormde Kerk droegen, hun filantropische, kerkelijke en politieke activiteiten. Hij schetste de droom van de theocratie en de knieval van de ideologie als het moderne dilemma van de christenheid, en bepleitte een christelijk geïnspireerd, bescheiden realisme. ‘Wil men,’ zo schreef hij, de politieke stellingname van Groen van Prinsterer karakteriseren, dan kan men dat het beste doen door hem te plaatsen in de nabijheid van de grote kerkvader Augustinus, omdat men hem dan tegelijk ziet in de juiste verhouding tot de reformatoren Luther en Calvijn. Er kan immers van een onmiskenbaar historische lijn in de christelijke traditie gesproken worden; een lijn, die van de eerste christengemeente over Augustinus, en over Luther en Calvijn, doorloopt tot onze tijd.
In het voetspoor van Augustinus benadrukte ook Groen van Prinsterer het voorlopige karakter van de verlossing, en verwachtte ook hij maar heel weinig van ‘een nauwe liaison tussen Kerk en Staat’. Het geloof heeft op aarde nooit geleefd ‘uit kracht of geweld, maar immer uit wonderen en gebedsverhoringen’. Alleen wie dat bedenkt, kan staande blijven ’tegenover de ogenschijnlijke uitzichtloosheid van de eigen positie’.”
Aalders, een man van de CHU, heeft een belangrijke rol bij de totstandkoming van het CDA gespeeld. Namens de CHU maakte hij deel uit van de commissie die in 1978 een rapport over de grondslagen van de nieuwe partij samenstelde. Zijn invloed droeg ertoe bij dat de persoon van Jezus Christus in dit rapport niet werd gepresenteerd als een bevrijder en revolutionair, maar als een verlosser van zonde en schuld. Benadrukt werd ook dat deze notie de politieke mens voor overmoed en dweepzuchtig fanatisme kan behoeden, en hem wijs, bescheiden en gematigd kan maken.[16]
1977 Theocratie of Ideologie
De hervormde theoloog W. Aalders sprak herhaaldelijk over de invloeden van revolutionair gedachtegoed in politiek en religie. Aalders was een van de opstellers van twee geschriften die waren gericht aan de Nederlandse Hervormde Kerk: de ‘Open Brief’ (1967) en het ‘Getuigenis’ (1971). Daarin protesteerden 24 theologen en predikanten tegen de ‘humanisering en horizontalisering’ van het evangelie en de ‘naïeve aanpassing van het christelijk geloof aan het hedendaagse, mensmiddelpuntige wereldbeeld’. Met die kritiek, waarin expliciet naar de heilloze gevolgen van de Franse Revolutie werd verwezen, richtten Aalders c.s. zich tegen een vrijzinnige ‘IKON-religie, waarin marxistische maatschappijkritiek de gehoorzaamheid aan Gods scheppingsorde verdrong.”
Aalders herhaalde deze kritiek in geschriften over actuele politieke, opvoedkundige of sociale kwesties. Met de schrikbeelden van ‘vrije liefde’, communes, ‘hippiedom’, antiautoritair onderwijs, emancipatie, cabaret en ‘shabby-look’ pleitte hij voor behoud van eerbied en gezag en waarschuwde hij tegen een ‘steeds verder afglijden in de richting van een revolutionaire anarchie’ binnen kerk, school, gezin en politiek. Deze kritiek vond gretig aftrek binnen reformatorische vrouwen-, jongelings- en studentenverenigingen en in de kleinere orthodox-protestantse politieke partijen.
In de gepolariseerde jaren zeventig waren de ideeën van Groen hét orthodox-protestantse wapen om het marxistische gevaar te bestrijden. Groen was tegen communisme, anarchisme en socialisme. Groen was volgens Willem Aalders tegen ideologie, waarmee hij vooral doelde op ‘linkse’ ideologie.
In Theocratie of ideologie presenteert Willem Aalders zich niet als een kritiekloze volgeling van Guillaume Groen van Prinsterer, maar wel als iemand die Groen als zijn belangrijkste politieke en historische leermeester beschouwt. Aalders ziet Groen als degene die de diepste geestelijke diagnose van de moderne tijd heeft gegeven. Op verschillende punten is die invloed duidelijk. Net als Groen verwerpt Aalders een louter economische of sociologische verklaring van de geschiedenis. Achter politieke gebeurtenissen ziet hij een strijd tussen geloof en ongeloof.
Voor Aalders is de Franse Revolutie daarom niet slechts een politieke omwenteling, maar de zichtbare uitdrukking van een veel diepere geestelijke revolutie: de emancipatie van de mens van Gods gezag. Dat is rechtstreeks ontleend aan Groens hoofdgedachte uit Ongeloof en Revolutie.
Het centrale thema van Theocratie of ideologie is dat moderne ideologieën religieuze vervangingen zijn.
Aalders werkt Groens these verder uit:
- de moderne mens verwerpt God;
- vervolgens schept hij een nieuwe absolute waarheid;
- die waarheid wordt een politieke religie.
Daarom ziet Aalders liberalisme, socialisme, communisme en nationaalsocialisme niet slechts als politieke systemen, maar als verschillende vormen van dezelfde geestelijke afval.
De theocratische gedachte
Van Groen neemt Aalders vooral diens overtuiging over dat: God Koning is over heel het leven. Dat betekent niet dat de kerk de staat moet regeren. Voor beiden betekent theocratie:
- overheid staat onder Gods wet;
- volk staat onder Gods oordeel;
- politieke macht bezit geen absolute autonomie.
Aalders benadrukt dat dit wezenlijk verschilt van een ideologische staat, waarin juist de staat of de mens absoluut wordt.
Eschatologisch perspectief
Een verschil is dat Aalders sterker dan Groen de geschiedenis leest vanuit een eschatologisch perspectief.
Onder invloed van onder anderen: Franz von Baader, Nikolaj Berdjajev, Friedrich Weinreb, legt Aalders meer nadruk op de eindtijd en de geestelijke ontmaskering van de moderne wereld. Toch blijft Groen voor hem degene die de fundamentele diagnose van de moderne geschiedenis heeft gesteld.
Waarom noemt Aalders Groen zijn grote leermeester?
Samengevat ziet Aalders Groen als zijn grote leermeester omdat Groen hem heeft geleerd:
- geschiedenis theologisch te verstaan;
- de Franse Revolutie als geestelijk keerpunt te zien;
- de eenheid van ongeloof en revolutie te herkennen;
- de overheid te beschouwen als dienares van God;
- ideologieën te ontmaskeren als surrogaten voor religie;
- politiek uiteindelijk onder Gods voorzienigheid en oordeel te plaatsen.
In Reformatie en geschiedenis bespreekt W. van ’t Spijker (1977)
W. van ’t Spijker ziet Groen als de belangrijkste negentiende-eeuwse vertegenwoordiger van een christelijk-historischegeschiedbeschouwing en plaatst Groen expliciet in de traditie van Augustinus en Calvijn en in de lijn van de reformatorische visie op de geschiedenis en gebruikt hem als gesprekspartner voor de moderne geschiedfilosofie. In hoofdstuk IV De reformatorische geschiedenisbeschouwing en enkele latere zienswijzen geeft Spijker een uiteenzetting van de geschiedenisopvattingen ten tijde der Verlichting, bij Semler en Lessing en Herder en daarna de geschiedenisopvatting van de grootmeester van het Historisme, Troeltsch. Volgens Van ’t Spijker is Groen degene die in de negentiende eeuw het reformatorische denken over de geschiedenis opnieuw onder woorden bracht. Tegenover het rationalisme en het historisme hield Groen vast aan de overtuiging dat:
- God werkelijk regeert in de geschiedenis;
- historische gebeurtenissen niet toevallig zijn;
- geschiedenis alleen goed verstaan kan worden in het licht van Gods openbaring.
Daarmee staat Groen volgens Van ’t Spijker dichter bij de reformatoren dan veel moderne historici. Van ’t Spijker bewondert Groen duidelijk, maar maakt hem niet onaantastbaar. Hij merkt op dat:
- Groen een kind van de negentiende eeuw bleef;
- sommige historische analyses tijdgebonden zijn;
- niet iedere concrete politieke toepassing vandaag nog vanzelfsprekend is.
De blijvende betekenis ligt daarom niet zozeer in Groens politieke programma, maar in zijn uitgangspunt: geschiedenis moet worden beoefend in afhankelijkheid van Gods openbaring.
1989: Vereniging van Christen-Historici
Deze Vereniging, opgericht in 1989, rekende zich ook tot de school van Groen. Ze telt nl. nogal wat Groen-epigonen binnen haar gelederen. Sommigen onder hen lijken er zelfs een sport van te maken om ‘hun’ Groen te verdedigen tegen aanvallen van de buitenwereld. Het ”Program van Uitgangspunten” van de VCH uit 1993 stelt dat de vereniging zich aansluit bij de protestantse historiografische traditie, zoals die zich in navolging van Groen van Prinsterer heeft gevormd. Kern van die traditie is de belijdenis omtrent Gods regering van alle dingen, aldus dit program. Deze traditie is mede ontstaan vanuit een debat in de negentiende eeuw tussen Groen van Prinsterer en Robert Fruin. De laatste propageerde objectiviteit in de geschiedschrijving, maar volgens Groen heeft de geschiedschrijving per definitie een religieus karakter. Elke wetenschap gaat volgens hem immers terug op een voorwetenschappelijk uitgangspunt, een levens- en wereldbeschouwing. Het is dit verschil in wereldbeeld dat verschillende (historische)keuzes veroorzaakt. De geschiedschrijving moet duidelijk maken hoe beginselen in de werkelijkheid doorwerk(t)en.
Voor de christenhistorici heeft religie betekenis voor het hele leven, dus niet alleen het godsdienstige, maar ook het maatschappelijke en wetenschappelijke. Vanuit dit uitgangspunt moedigt de vereniging beoefenaars van de geschiedschrijving op vanuit een eigen overtuiging te werken
Om de vrijgemaakte en reformatorische jeugd niet te laten vergeten wie Groen was schreef historicus en politicus Arie Slob in 1993 namens de VCH een boekje over hem voor het christelijk middelbaar onderwijs.
Bij het eerste lustrum in 1994 verscheen een bundel, waarin christen-historicus George Puchinger (1921-1999) zijn jongere vakgenoten en geestverwanten onderwees: ‘Wie werkelijk leerling van Groen wil zijn, ook als historicus – mocht het eens zijn als geschiedschrijver, want dát vooral télt – zal weten dat ook in eigen vlees moet worden gesneden, want het valt ook voor historici niet mee om, zoals Groen deed, over eigen religieuze overtuiging open te spreken.’[17]
De VCH probeerde in mei 2005 het actuele politiek-maatschappelijk thema van “Religie splijtzwam in de samenleving” op te pakken. Dat debat voornamelijk tussen dr. Kars Veling, dr. Dirk-Jan Wolffram en dr. Aart Mosterd, spitste zich toe op de vrijheid van onderwijs.
Themanummer van Beweging in 2017 (200 jaar na de Franse Revolutie)
In december 1989 had Beweging (53e jaargang nr. 6)[18] een themanummer over de Franse revolutie en Groen van Prinsterer. Met een hoofdartikel Verlichting en secularisatie van de Canadese historicus A.J. van Dijk[19], n.a.v. diens promotie op 14 juni in het jaar van deze herdenking dat geheel gewijd was aan een klassiek geschrift over die revolutie: Ongeloog en Revolutie van Groen van Prinsterer en wel in Engelse vertaling. Naast hem had ook VU-hoogleraar G.J. Schutte een bijdrage ‘De Franse Revolutie herdacht en gewogen’ met de conclusie, dat de christelijke politiek in 1989 zich niet kan onttrekken aan een herdenking van de Franse Revolutie. Wie haar eenzijdigheden en excessen als tijdgebonden en achterhaald verklaard, moet onnozel heten. Wie al haar resultaten en gevolgen om haar beginsel afwijst, stelt zich buiten de realiteit. Wie, ook door haar geschiedenis geleerd, de dialoog aangaat en daarbij tot het fundament doordringt zonder daarbij historie of heden goed te prijzen, betoont de ware betekenis van de term antirevolutionair te beseffen.
Tenslotte heeft de redactie ook nog een interview opgenomen van een discussie met twee niet-historici: H.E.S. Woldring, hoogleraar politieke filosofie en B. Goudzwaard, hoogleraar voor economie en cultuurfilosofie.
25 april 1992 Studiedag Vereniging van Christen-Historici over Groen van Prinsterer en de geschiedenis
Ter voorbereiding op studiedag gewijd aan de historische arbeid van mr. G. Groen van Prinsterer, had prof. Dr. M. te Velde een bijdrage geleverd in het themanummer van het Vereningsorgaan Transparant. De overige 6 bijdragen verschenen in 1994 t.g.v. het 5-jarig bestaan van deze Vereniging in de bundel Groen van Prinsterer en de geschiedenis, onder redactie van George Harinck en Roel Kuiper. De centrale stelling van de bundel is dat Groen niet slechts een politicus was die ook geschiedenis schreef, maar dat zijn christelijk-historische vertelling de sleutel vormt tot zijn gehele denken: zijn politiek, zijn visie op kerk en staat en zijn beoordeling van de moderne tijd zijn allemaal geworteld in zijn interpretatie van de geschiedenis. (RUG Onderzoeksportaal).
De belangrijkste conclusies zijn de volgende:
1. Geschiedenis is voor Groen een morele en religieuze werkelijkheid
Volgens de bundel beschouwde Groen geschiedenis nooit als een neutrale opeenvolging van feiten. Historische gebeurtenissen zijn het toneel waarop de strijd tussen geloof en ongeloof zichtbaar wordt. Daarmee is geschiedenis:
- geen verzameling toevalligheden;
- maar ook geen eenvoudig bewijs van Gods handelen;
- eerder een plaats waar Gods voorzienigheid zichtbaar wordt voor wie de Schrift als interpretatiekader gebruikt.
De bekende formule “Er staat geschreven, en er is geschied” betekent daarom niet dat de geschiedenis een tweede openbaring is naast de Bijbel, maar dat de Schrift de maatstaf vormt waarmee de geschiedenis wordt verstaan. (Digibron)
2. Ongeloof en Revolutie is een historische analyse, geen pamflet
Een tweede belangrijke conclusie is dat Ongeloof en Revolutie vaak te simplistisch is gelezen.
Groen beweert niet slechts dat de Franse Revolutie slecht was. Hij probeert aan te tonen dat:
- revoluties voortkomen uit een langdurige geestelijke ontwikkeling;
- ideeën uiteindelijk politieke instituties veranderen;
- ongeloof voorafgaat aan maatschappelijke ontwrichting.
Zijn analyse is dus cultuurhistorisch: politieke crises zijn volgens Groen symptomen van diepere religieuze veranderingen.
3. Groen is geen fatalist
De auteurs benadrukken dat Groen de voorzienigheid van God combineert met menselijke verantwoordelijkheid. Hij gelooft dat God de geschiedenis bestuurt, maar juist daarom voelen mensen zich geroepen om politiek actief te zijn. Dat verklaart waarom Groen:
- Kamerlid werd,
- petities organiseerde,
- streed voor christelijk onderwijs,
- voortdurend publiceerde.
Zijn geschiedvisie leidde niet tot berusting maar tot handelen.
4. Historische continuïteit is belangrijker dan abstracte theorie
De bundel laat zien dat Groen sterk beïnvloed werd door de historische school van de negentiende eeuw. Hij wantrouwde:
- abstract rationalisme;
- universele politieke blauwdrukken;
- revolutionaire maakbaarheid.
Daartegenover stelde hij:
- historisch gegroeide instituties;
- constitutionele ontwikkeling;
- nationale tradities;
- organische verandering.
Hij was daarom antirevolutionair, maar niet eenvoudig restauratief. Hij wilde niet terug naar het verleden, maar bestaande instellingen hervormen vanuit christelijke beginselen. (Vrije Universiteit Amsterdam)
5. Groen was een Europees denker
Een sterk punt van de bundel is dat Groen niet uitsluitend als Nederlandse figuur wordt behandeld. Zijn denken blijkt nauw verbonden met:
- het Franse Réveil;
- Engelse conservatieven;
- de Duitse historische school;
- Zwitserse protestanten.
Daardoor wordt duidelijk dat Groen deel uitmaakte van een bredere Europese reactie op Verlichting en Revolutie.
6. Historicus én staatsman vormen één geheel
Een terugkerend thema is dat Groen zijn historische werken schreef met een praktisch doel. Hij schreef geschiedenis om:
- zijn tijdgenoten te waarschuwen;
- politieke keuzes te onderbouwen;
- christenen historisch zelfbewustzijn te geven.
Geschiedschrijving was voor hem geen academische hobby maar publieke verantwoordelijkheid.
Deze interpretatie sluit ook aan bij recenter onderzoek van Jan Schlebusch, die Groen typeert als een “statesman-historian”: iemand die historische narratieven bewust gebruikte om politiek richting te geven. (RUG Onderzoeksportaal)
7. Groen blijft actueel
De redacteuren betogen dat Groen interessant blijft omdat hij vragen stelt die nog steeds relevant zijn:
- Welke rol spelen religieuze overtuigingen in de politiek?
- Is een samenleving zonder gedeelde morele basis duurzaam?
- Hoe moeten traditie en vernieuwing zich tot elkaar verhouden?
- Welke plaats heeft nationale geschiedenis in een pluralistische samenleving?
De bundel komt uiteindelijk tot één overkoepelende conclusie: Groens geschiedbeschouwing vormt het hart van zijn gehele oeuvre.
Zijn visie op de Franse Revolutie, zijn antirevolutionaire politiek, zijn opvattingen over onderwijs, kerk en staat en zelfs zijn parlementaire optreden zijn alleen goed te begrijpen vanuit zijn overtuiging dat de geschiedenis de voortdurende confrontatie laat zien tussen christelijk geloof en het autonome menselijke denken. Juist daarom blijft Groen volgens de auteurs een van de meest oorspronkelijke Nederlandse politieke denkers van de negentiende eeuw.
1992: Voltooiing van de Schriftelijke nalatenschap
Deze afronding was het einde van een uitzonderlijk lang wetenschappelijk project dat bijna tachtig jaar had geduurd. Het project begon vóór de Eerste Wereldoorlog en werd afgerond door het toenmalige Instituut voor Nederlandse Geschiedenis (ING). Het kende tal van onderbrekingen, personeelswisselingen en organisatorische problemen.
De totstandkoming kan dankzij chatgpt in enkele fasen worden beschreven: https://chatgpt.com/share/6a595792-b340-83eb-901d-db35956d74da
1994 Na een desastreuze verkiezingsnederlaag van het CDA kwam er voor het eerst sinds 1918 een kabinet zonder confessionelen. De ware antithese werd toen eindelijk zichtbaar voor iedereen. Paars was ‘revolutionair’.
1996: Geloof en Geschiedenis
Onder redactie van drs. Henk Hagoort, verscheen in 1996 deel 17 in de serie Theologische Verkenningen (EO/Kok Voorhoeve). De bundel wil een christelijke visie op de geschiedenis formuleren tegenover zowel een seculiere als een cyclische geschiedopvatting. Volgens de flaptekst is het uitgangspunt dat “de geschiedenis in Gods hand is” en dat de Bijbel de geschiedenis ziet als een lijn met een begin (schepping), een midden (Christus) en een einde (wederkomst). Een van de conclusies is dat juist omdat God Heer van de geschiedenis is, mogen christenen zich niet uit de samenleving terugtrekken. Politiek, cultuur, wetenschap en onderwijs zijn terreinen waarop christenen verantwoordelijkheid dragen, zonder te verwachten dat zij zelf Gods Koninkrijk kunnen realiseren.
Dr. G. Harincks’ bijdrage gaat speciaal over Groen van Prinsterer als eenzaam historicus.
Daarmee bedoelt hij niet dat Groen geïsoleerd werkte of geen contacten had – integendeel, hij stond midden in het intellectuele en politieke leven van zijn tijd – maar dat zijn geschiedopvatting steeds meer afweek van de dominante historiografie van de negentiende eeuw.
Hij deelt met Groen de overtuiging dat de geschiedenis uiteindelijk alleen verstaan kan worden vanuit Gods openbaring, maar werkt dat uit in een toegankelijker en minder polemische vorm.
De kern van Harincks analyse bestaat uit de volgende punten.
1. Groen stond alleen in zijn geloofsvisie op de geschiedenis
Volgens Harinck was Groen ervan overtuigd dat de geschiedenis uiteindelijk alleen begrepen kan worden vanuit Gods openbaring. Dat uitgangspunt werd in de negentiende eeuw steeds minder gedeeld.
Waar veel historici:
- geschiedenis wetenschappelijk en neutraal wilden verklaren,
- oorzaken zochten in economie, politiek of cultuur,
- religie als één factor onder vele beschouwden,
zag Groen de geschiedenis als het toneel van:
- Gods voorzienigheid;
- de strijd tussen geloof en ongeloof;
- de gevolgen van afval van God.
Daarmee kwam hij steeds verder af te staan van de zich professionaliserende geschiedwetenschap.
2. Hij was geen beroepshistoricus in moderne zin
Harinck benadrukt dat Groen een overgangsfiguur is. Hij werkte uiterst zorgvuldig met:
- archieven;
- brieven;
- bronnenuitgaven;
- diplomatieke documenten.
In dat opzicht liep hij juist vóór op veel tijdgenoten. Maar hij geloofde niet dat de historicus neutraal kon zijn. Iedere geschiedschrijving vertrekt volgens Groen vanuit een levensbeschouwing. Juist daarin werd hij steeds eenzamer naarmate het positivisme terrein won.
3. Zijn interpretatie werd steeds minder gedeeld
Volgens Harinck zag Groen de Franse Revolutie niet alleen als een politieke gebeurtenis.
Voor Groen was zij:
- een geestelijke revolutie;
- een breuk met het christelijke Europa;
- het gevolg van eeuwenlange ontwikkeling van ongeloof.
De meeste historici gingen zulke religieuze interpretaties als onwetenschappelijk beschouwen.
4. Hij verloor zijn intellectuele omgeving
In zijn jonge jaren vond Groen veel geestverwanten binnen het Réveil. Later veranderde het academische klimaat.
Historici gingen zich richten op:
- objectiviteit;
- bronnenkritiek;
- causaliteit;
- professionele distantie.
Groen bleef vasthouden aan de overtuiging dat geschiedenis uiteindelijk alleen verstaan wordt in het licht van Gods Woord. Volgens Harinck maakte juist dat hem een “eenzame historicus”.
5. Zijn eenzaamheid was ook principieel
Harinck benadrukt dat Groen deze positie bewust accepteerde. Hij wilde liever alleen staan dan zijn uitgangspunt opgeven. Voor Groen gold: historische wetenschap zonder erkenning van Gods regering mist uiteindelijk haar diepste verklaringsgrond. Dat betekende niet dat bronnenonderzoek onbelangrijk was; juist Groen was een uitstekende archivaris. Maar bronnen alleen leveren volgens hem nooit de uiteindelijke betekenis van de geschiedenis op.
Harincks waardering
Opvallend is dat Harinck Groen niet neerzet als een achterhaalde denker.
Integendeel, hij ziet twee blijvende inzichten:
- Volledige objectiviteit bestaat niet. Iedere historicus werkt vanuit vooronderstellingen. Daarmee liep Groen volgens Harinck vooruit op latere discussies binnen de geschiedfilosofie, waarin de rol van perspectief en interpretatiekaders centraal kwam te staan.
- Geschiedenis is meer dan feiten verzamelen. Historici zoeken altijd naar samenhang en betekenis. Groen deed dat expliciet vanuit een christelijk wereldbeeld.
De paradox van Groen
Harinck wijst tenslotte op een interessante paradox:
- methodisch was Groen een moderne historicus;
- filosofisch was hij een uitgesproken christelijk denker;
- daardoor werd hij juist in de opkomende moderne geschiedwetenschap een buitenstaander.
In die zin is de titel “de eenzame historicus” geen kritiek, maar een karakterisering van zijn unieke positie: hij combineerde een vooruitstrevende historische methode met een interpretatiekader dat door de academische hoofdstroom steeds minder werd gedeeld.
1996 Dr. Roel Kuiper: Uitzien naar de zin
Roel Kuiper, voorzitter van de Vereniging van Christen-Historici, publiceert Uitzien naar de zin – Inleiding tot een christelijke geschiedbeschouwing. Voor Kuiper is Groen de belangrijkste vertegenwoordiger van een Nederlandse christelijke geschiedbeschouwing in de negentiende eeuw. Volgens hem is hij niet alleen een historicus, maar vooral een denker die geschiedenis vanuit het christelijk geloof interpreteert. Zijn invloed loopt via Abraham Kuyper; de antirevolutionaire traditie; christelijke historici als P.J. Bouman, C. Smits en latere reformatorische geschieddenkers.
Roel Kuiper noemt Groens bekende leus “Er staat geschreven, en er is geschied” de kern van zijn methode. Daarmee bedoelt Groen dat de Bijbel het normatieve kader biedt en de historische werkelijkheid telkens opnieuw de waarheid van Gods Woord bevestigt. Volgens Kuiper gaat het dus niet om een letterlijk “bewijzen” van de Bijbel uit de geschiedenis, maar om een voortdurende wisselwerking tussen openbaring en historische ervaring. Enerzijds verwerpt Groen het rationalisme van de Verlichting, waarin de mens zelf de maat van alle dingen wordt. Anderzijds verwerpt hij ook het historisme, waarin alle waarheid relatief wordt gemaakt aan tijd en cultuur.
Een belangrijk punt bij Kuiper is dat Groen objectiviteit anders opvat dan moderne historici. Objectiviteit betekent voor Groen niet neutraliteit. Iedere historicus werkt vanuit overtuigingen. De christelijke historicus moet daarom eerlijk uitkomen voor zijn geloofsuitgangspunten. Kuiper noemt Groen hiermee verrassend modern: ook hedendaagse geschiedtheorie erkent dat volledige neutraliteit onmogelijk is.
Kuiper is duidelijk positief over Groen, maar niet kritiekloos. Hij waardeert vooral:
- Groens inzicht dat iedere geschiedschrijving een levensbeschouwelijk uitgangspunt heeft;
- zijn nadruk op Gods voorzienigheid;
- zijn afwijzing van historisch relativisme;
- zijn poging geloof en historische wetenschap met elkaar te verbinden.
Tegelijk merkt Kuiper op dat Groens negentiende-eeuwse interpretaties soms sterk bepaald zijn door de politieke strijd van zijn eigen tijd, met name zijn analyse van de Franse Revolutie. Die historische analyses hoeven volgens Kuiper niet in alle onderdelen te worden overgenomen, terwijl de onderliggende christelijke visie op geschiedenis haar betekenis behoudt.
1997 Dr. Ewald Mackay: In Geschiedenis bij de bron[20]
In dit wetenschapsfilosofisch proefschrift uit1997 aan de Theologische Faculteit van de Universiteit Utrecht bespreekt deze docent Cultuurgeschiedenis en Filosofie aan Driestar-educatief Groen van Prinsterer niet in de eerste plaats als politiek denker, maar als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van een christelijke geschiedopvatting. Groen is voor Mackay een schakel in een lange traditie die loopt van Augustinus via de Reformatie naar het Réveil en bepleit hij een nieuwe metafysische ruimte binnen de geschiedwetenschap: een onderzoek naar de verhouding van christelijk geloof en historische werkelijkheid in geschiedwetenschap, wijsbegeerte en theologie
Al in de inleiding noemt Mackay Groen naast Augustinus, Beda, Melanchthon en andere christelijke historici als vertegenwoordiger van de overtuiging dat God werkelijk handelt in de geschiedenis. Groen is voor hem dus geen geïsoleerde negentiende-eeuwse denker, maar een erfgenaam van een eeuwenoude traditie.
Groens fundamentele vraag — hoe verhoudt Gods handelen zich tot de historische werkelijkheid? bleef volgens Mackay grotendeels onbeantwoord. Zijn eigen proefschrift wil juist die vraag opnieuw wetenschappelijk bespreekbaar maken. In zijn proefschrift probeert hij een moderne epistemologie, semantiek en ontologie te ontwikkelen, waarin een christelijke geschiedvisie filosofisch verantwoord kan worden. Zijn doel is dus niet terugkeer naar de negentiende eeuw, maar een actualisering van Groen.
Een veelzeggende formulering van Mackay is dat de augustiniaanse traditie — en daarmee ook Groen — “door de historische revolutie heen” moet worden geleid. Daarmee bedoelt hij:
- de moderne historische methode serieus nemen;
- de ontdekking van historische contingentie erkennen;
- bronkritiek accepteren;
- maar tegelijk vasthouden aan Gods werkelijke betrokkenheid op de geschiedenis.
Hij verwerpt dus zowel een naïef providentialisme als een volledig geseculariseerde geschiedwetenschap. God handelt werkelijk binnen een open historische werkelijkheid, maar de historicus kan dat niet op dezelfde manier aantonen als economische of politieke oorzaken. Daarom is volgens Mackay een verfijnde geschiedtheologie nodig.
Mackay beseft dat Groen nog niet beschikte over de filosofische instrumenten die de twintigste eeuw heeft ontwikkeld. Zijn eigen Geschiedenis bij de bron presenteert zich daarom als een voortzetting én verdieping van Groens project: een poging om diens christelijke geschiedvisie opnieuw wetenschappelijk verantwoord te funderen.
1998: de 150-jarige herdenking van de Grondwet van 1848
De bundel onder redactie van D.J.H. van Dijk en H.F. Masselink bevat bijdragen van onder anderen J.T. van den Berg, Roel Kuiper en G. Holdijk. De centrale vraag is niet of Groen “gelijk had”, maar wat zijn kritiek op de Grondwet van 1848 vandaag nog te zeggen heeft.
Een van de hoofdconclusies is dat Groen van Prinsterers verzet tegen de Grondwet van 1848 vaak te simplistisch is weergegeven. Zijn bezwaar gold niet zozeer de constitutionele hervormingen (ministeriële verantwoordelijkheid, parlementaire invloed), maar de levensbeschouwelijke neutraliteit waarop de nieuwe staat werd gebaseerd.
Volgens Groen was de staat niet religieus neutraal. Ook een neutrale staat kiest namelijk een uitgangspunt. De Grondwet van 1848 maakte volgens hem de volkssoevereiniteit en de menselijke rede tot hoogste norm, terwijl hij meende dat overheid en volk onder Gods gezag behoren te staan
De bundel laat zien dat het conflict tussen Groen en Thorbecke dieper ging dan een politiek meningsverschil.
- Thorbecke zag de Grondwet als een rationele ordening van de staat.
- Groen zag de Grondwet als een document dat altijd rust op een bepaalde visie op mens en samenleving.
Volgens Groen bestaat geen waardevrije constitutie; achter iedere grondwet ligt een geloof of wereldbeschouwing. De auteurs wijzen erop dat Groen de Grondwet uiteindelijk loyaal accepteerde nadat zij was ingevoerd. Hij bleef haar bekritiseren, maar werkte binnen het nieuwe constitutionele bestel. Daarmee onderscheidde hij zich van reactionaire conservatieven die naar het ancien régime wilden terugkeren. Een terugkerend thema is dat Groen vasthield aan de overtuiging dat Nederland historisch een christelijke natie was. Hij wilde geen theocratie waarin de kerk regeert, maar wel een overheid die openlijk erkent dat haar gezag uiteindelijk van God afkomstig is.
Dat verklaart ook zijn blijvende kritiek op de scheiding tussen geloof en politiek.Vooral de bijdrage van G. Holdijk probeert Groen naar het heden te vertalen. Daarbij worden vragen gesteld als:
- Kan een grondwet werkelijk neutraal zijn?
- Heeft een democratische rechtsstaat een moreel fundament nodig?
- Kan vrijheid bestaan zonder gedeelde normen?
Volgens Holdijk blijven dit actuele vragen, ook al zullen weinig mensen Groens antwoorden volledig overnemen
Roel Kuiper laat zien dat Groen wel de scherpste criticus van 1848 was, maar niet de enige Réveilfiguur die moeite had met de nieuwe staatsorde.
Da Costa en andere Réveilmensen deelden veel van zijn religieuze zorgen, al waren zij doorgaans minder principieel in hun politieke beoordeling van de Grondwet. Kuiper benadrukt ook dat de Grondwet van 1848 in de praktijk ruimte bood voor de latere emancipatie van orthodox-protestanten en de vorming van christelijke politieke partijen. Daarmee nuanceert hij Groens eigen, sombere beoordeling.
1998: de betekenis van Groen van Prinsterers visie op de grondwet van 1848
onder redactie van mr. D.J.H. van Dijk & drs. H.F. Massink. Uitgeverij J.J. Groen en Zoon
2001: Tweehonderdste geboortedag: Vonken van heilig vuur
De SGP organiseerde in dit Groenjaar op 31 augustus een Groenreis[21] naar Den Haag en was de belangrijkste initiatiefnemer voor een borstbeeld van Groen, dat eerder dat jaar op 30 mei tijdens herdenkingsbijeenkomst (met steun van ChristenUnie en CDA ) door Kamervoorzitter Jeltje van Nieuwenhoven werd onthuld in de Groen van Prinstererzaal in het Tweede Kamergebouw[22].

Ook gaf de SGP aan alle leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen het boekje Vonken van heilig vuur. In dit boekje ”Vonken van heilig vuur” vertellen zestien Nederlanders onder redactie D. J. H. van Dijk en C. G. van der Staaij hun persoonlijke ervaringen met Groen, over hoe ze met hem in aanraking zijn gekomen en wat hij voor hen betekent. Dat zijn de drie SGP-kamerleden Van der Vlies, Van den Berg en Van der Staaij en R. Bisschop, C. Blenk, M. de Bruyne, A. Th. van Deursen, D. J. H. van Dijk, G. Holdijk, J. Kamphuis, J. W. Kirpestein, H. Klink, H. F. Massink, G. Slootweg, B. J. Spruyt en K. van der Zwaag.
De meeste van deze scribenten wonen onder het SGP-dak, maar de redactie heeft ook buiten de eigen partij gezocht. Zo is de inleiding bijvoorbeeld door een enthousiaste en vakkundige dr. W. Aalders geschreven.[23] In stukjes van soms maar drie bladzijden vertelt elke schrijver hoe de kennismaking bij hem is verlopen. De een vond het lastig om ”Ongeloof en Revolutie” te lezen en begon dus maar met een ander boek. Voor een ander is dit werk juist de beste ingang tot Groen. Een derde bekent dat hij zich pas laat in hem ging verdiepen, omdat zijn omgeving dat eigenlijk van hem vroeg. En nummer vier maakt interessante schoolervaringen openbaar. Prof. Kamphuis noemt Groen zijn leermeester in Christus, ds. Blenk zijn beschermengel, voor de meesten is hij een voorbeeld en identificatiefiguur. Groen mag dan 200 jaar geleden geboren zijn, wat hij schreef blijkt vaak profetisch kaliber te hebben. Met vragen van nu kun je ook bij hem terecht.
Daarnaast besteedde De Banier het hele jaar aandacht aan Groen en werden die artikelen later gebundeld. [24]
2001 in dat jaar verscheen ook de eerste biografie van Roel Kuiper over Mr. G. Groen van Prinsterer. Zie bij biografieën.
Groen accepteerde de grondwet
Tegenover de revolutie stelde hij het evangelie. Voor Groen waren ‘ongeloof’ en ‘evangelie’ geen puur religieuze termen, maar aanduidingen voor twee wereldbeelden. In het ene maakte de mens zichzelf tot maatstaf, in het andere stonden traditie en morele grenzen centraal. Groen geloofde bovendien in het ‘drievoudig snoer’ God, Nederland en Oranje. Daarmee bedoelde hij dat de Nederlandse geschiedenis door God was geleid, via het Huis van Oranje. Daarom wordt zijn denken ook wel christelijk-historisch genoemd.
Groens navolgers hebben zijn ideeën vaak gebruikt voor hun eigen conservatieve agenda. Groen zou niet alleen tegen de Russische Revolutie zijn geweest, maar ook tegen de seksuele revolutie van de jaren zestig. Het verst ging de SGP. Deze herdenkingsbundel was nl. tegelijk een strijdschrift tegen de paarse kabinetten, democratie en kosmopolitisme. Niet alleen euthanasie en het homohuwelijk moesten het ontgelden, maar ook democratische vernieuwing en de Europese eenwording.
Maar klopt dit beeld van een haast reactionaire, antidemocratische Groen wel, stelt Ewout Klei in een artikel in het Historisch Nieuwsblad van 19 mei 2026[25], verwijzend naar deze 200e geboortedag. Het ligt genuanceerder, vertelt zijn biograaf Gertjan Schutte, die later dit jaar hoopt te promoveren. ‘In 1830 was Groen nog zeer overtuigd monarchist, maar in de jaren daarna raakte hij teleurgesteld in het Nederlandse koningshuis, vanwege de nieuwe katholieke vrouw van koning Willem I en de buitenechtelijke escapades van diens opvolger Willem II.’ Bovendien maakte Groen na de invoering van de grondwet van 1848 een wending. ‘Hij wilde vanuit eigen organisaties verder werken aan een protestants-christelijk Nederland. Principieel had Groen moeite met de neutrale staat van Johan Rudolf Thorbecke, maar hij accepteerde die als voldongen feit, ook omdat de grondwet het mogelijk maakte om protestants-christelijke scholen op te richten. Het revolutiejaar 1848 was niet te vergelijken met de Franse Revolutie, zeker in Nederland niet.’
2008 G. Groen van Prinsterer (bewerkt en ingeleid door Arie Kuiper[26] en Roel Kuiper). Dit betreft de bewerking van het hoofdwerk Ongeloof en Revolutie (1847) van Guillaume Groen van Prinsterer, uitgebracht in december 2008 in de serie Klassiek Licht.[27] Het boek is hertaald en bewerkt door Arie Kuiper en voorzien van een inleiding door Roel Kuiper. Arie en Roel Kuiper wilden de negentiende-eeuwse tekst toegankelijk maken voor een modern lezerspubliek door middel van een eigentijdse taal (hertaalde versie).[28]
2009 Het gereformeerde geheugen: Protestantse herinneringsculturen in Nederland, 1850-2000
George Harinck, Amp, Herman Paul, Amp, Bart Wallet
Het gereformeerde geheugen onderzoekt hoe gereformeerde protestanten in Nederland zich hun verleden herinnerden. Het gaat na hoe dominees, schoolmeesters en kinderboekenschrijvers zich beriepen op de Synode van Dordrecht, op oude schrijvers, op de kleding van achttiende-eeuwse predikanten en op de eeuwenoude vijand: Rome
Gereformeerde protestanten deelden vanaf circa 1850 een ‘collectief geheugen’, dat samenhang bood en identiteit verschafte. Maar op de betekenis van de Reformatie of de Afscheiding ontwikkelden zij uiteenlopende visies. Het gereformeerde geheugen onderzoekt de achtergronden, functies en invloed van deze concurrerende geschiedbeelden.
In deze bundel schreef Ewout Klei het lemma over Guillaume Groen van Prinsterer als een van de leiders.
Zij laat zien dat Groen niet alleen een negentiende-eeuws denker was, maar ook een herinneringsfiguur werd. Verschillende protestantse stromingen beriepen zich op Groen, maar deden dat ieder op een eigen manier. Zijn nalatenschap werd daardoor voortdurend opnieuw geïnterpreteerd en ingezet in kerkelijke en politieke discussies. De bundel maakt duidelijk dat de vraag “Wie is de ware erfgenaam van Groen?” zelf onderdeel werd van de gereformeerde herinneringscultuur.
Methodologisch betekende deze bundel een belangrijke vernieuwing in de Nederlandse kerkgeschiedenis. De redacteuren sluiten aan bij het internationale onderzoek naar collectief geheugen en herinneringscultuur (onder meer geïnspireerd door Pierre Nora), en verschuiven de aandacht van feitelijke geschiedenis naar de manier waarop geschiedenis wordt herinnerd en gebruikt. Daarmee werd een nieuw onderzoeksprogramma geopend voor de studie van religieuze herinneringsculturen.
Kernconclusie
De centrale boodschap van Het gereformeerde geheugen is dat gereformeerden hun identiteit niet alleen ontleenden aan Schrift en belijdenis, maar ook aan een voortdurend veranderende interpretatie van hun eigen verleden. Dat verleden functioneerde als een bron van legitimatie, inspiratie en zelfbegrip, maar kreeg in elke tijd en binnen elke gereformeerde stroming een eigen invulling. Daardoor is er niet één gereformeerd geheugen, maar een veelheid aan gereformeerde herinneringsculturen
2025 Jaarcongres Vereniging Groen van Prinsterer
Op vrijdag 21 maart 2025werd het laatste jaarcongres van de vereniging gehouden. met als Congresthema: Weerbaar leven. In 2025 werd de vereniging 100 jaar. Op 3 oktober werd voor leden en belangstellenden een feestelijke ‘Groendag’ georganiseerd. Ze startten met een ontvangst bij het Kabinet van de Koning, het voormalige woonhuis van Groen van Prinsterer aan de Korte Vijverberg 6-7, Den Haag en bezochten aansluitend zijn graf.
[1] https://www.nd.nl/geloof/protestant/1317867/groeiende-kritiek-op-groen-van-prinsterer-maar-jaap-kamphuis-
[2] In de bundel Groen van Prinsterer en geschiedenis uit 1994 gaat prof. Dr. M. te Velde in op verwijt middels een inventarisatie met enkele kanttekeningen.
[3] waar grote behoefte was ontstaan aan een betere politieke voorlichting dan zoals tot dan toe gegeven werd in het illegale blad Vrij Nederland.
[4] De tekst was gericht op orthodox-protestantse Nederlanders en besprak de houding van gereformeerden tegenover het verzet, staatsgezag en de Duitse bezetting, en diende tevens als reflectie op de legitimiteit van het verzet. https://www.bakschrijft.nl/roover.html
[5] Beatrijs de Graaf in Het Gereformeerde Geheugen, blz. 206-207.
[6] Het boek verscheen bij uitgeverij [Zomer & Keuning] in W-ageningen
[7] https://www.digibron.nl/viewer/collectie/Digibron/id/Eilanden-Nieuws_19500301_007_ART_S002_CID001?
[8] In: Staatsman ter navolging: (1976), p. 181-190.
[9] https://chatgpt.com/share/6a595027-7708-83eb-93c3-f7db2c34b58a
[10] Gert Jan Schutte: Als historicus kijk je altijd vanuit het heden naar het verleden. Groen deed dat ook. Hij keek vanuit zijn tijd en zijn positie naar de geschiedenis. Tegenwoordig zouden we dat anders doen, en daar hebben we goede redenen voor. De positieve manier waarop hij over de Oranjes schrijft, die hij een van God gegeven leidende rol toebedeelt, zou je achterhaald kunnen noemen. (2026).
[11][11] Mekkes was een Nederlandse reformatorische filosoof, rechtsgeleerde en hoogleraar die behoorde tot de tweede generatie van de reformatorische wijsbegeerte rond de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij bouwde voort op het werk van Herman Dooyeweerd en D.H.Th. Vollenhoven en leverde een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van christelijke filosofie in Nederland gedurende de twintigste eeuw. Na een militaire loopbaan en gevangenschap tijdens de Tweede Wereldoorlog bekleedde hij diverse hoogleraarschappen, waarbij hij calvinistische wijsbegeerte en rechtsfilosofie doceerde. Hij verzette zich tegen de gedachte dat filosofie religieus neutraal zou zijn en betoogde dat elk filosofisch denken uitgaat van fundamentele religieuze vooronderstellingen.
[12] Geen muziek om van het blad te zingen, blz. 128. Artikel in F.G.M. Broeyer en D.Th. Kuiper, Is ’t waar of niet? Ophefmakende publicaties uit de ‘lange’ negentiende eeuw. Jaarboek voor de geschiedenis van het Protestantisme na 1800. Jaargang 13 (Zoetermeer: Meinema, 2005), 111-132.
[13] https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/nieuws/geboorte-van-een-herdenkingszegel-groen-van-prinsterer
[14] Dit leidde tot de vraag waarom juist deze passage, waarin het volk Israël met Gods straf wordt bedreigd vanwege zijn afvalligheid, gekozen was en welk verband er met Groen van Prinsterer bestond. Een deel van de verklaring is dat voor Groen van Prinsterer de gehele Bijbel, dus met alle boeken van het Oude en Nieuwe Testament, Gods Woord was.
[15] https://www.digibron.nl/viewer/collectie/Digibron/id/tag:RD.nl,19770318:newsml_68a255cc21f5511bf46e508f359a1a16
[16] Bart Jan Spruyt in Conservatieve Vooruitgang (2010), blz. 363-364
[17] https://www.nd.nl/geloof/protestant/1317867/groeiende-kritiek-op-groen-van-prinsterer-maar-jaap-kamphuis-
[18] Beweging werd uitgageven voor Reformatorische Wijsbegeerte in opdracht van de Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte.
[19] Hij was als historicus verbonden aan Redeemer College te Hamilton in Canada. Tijdens zijn studietijd in Nederland tot zijn terugkeer naar Canada in 1982, was hij redactielid voor Beweging.
[20] https://www.ewaldmackay.nl/images/Boeken/Geschiedenisbijdebron.pdf?
[21] https://chatgpt.com/share/6a74a9f0-fc98-83eb-b977-f13706b585b0
[22] Het Gereformeerde Geheugen, blz. 414
[23] https://www.rd.nl/oud/boek/boekpo/010726boekpo01.html Eigenaardig trouwens om te merken hoe de een met Groen tot theocratisch denken komt en de ander juist niet.
[24] https://chatgpt.com/share/6a74abc5-e378-83ed-b69e-9a14ac7e1cd0
[25] https://www.historischnieuwsblad.nl/grondlegger-van-de-christelijke-politiek-waarschuwde-voor-agressief-nationalisme/
[26] vierdejaarsstudent politicologie en taalwetenschappen aan het University College Utrecht: https://www.rd.nl/artikel/261057-zeven-keer-door-ongeloof-en-revolutie-heen
[27][27][27] https://www.christelijkefilosofie.nl/artikelen/nieuwe-serie-klassiekers-ongeloof-en-revolutie-1847-groen-van-prinsterer/
[28] Recensie van Dick Schinkelshoek, redacteur bij het Nederlands Dagblad: https://www.nd.nl/cultuur/boeken/743917/ongeloof-baart-onverschilligheid
