Van 1925 tot 2027
In 1925 schreef Dr. Christiaan C. Tazelaar, De jeugd van Groen (1801–1827) het proefschrift waarmee hij promoveerde aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam bij de historicus Hajo Brugmans. Het boek behandelt de eerste 26 levensjaren van Guillaume Groen van Prinsterer, vanaf zijn geboorte tot zijn benoeming tot referendaris aan het hof van koning Willem I. Tazelaars belangrijkste stelling is dat Groen niet plotseling de antirevolutionaire staatsman werd die men later kent.
Zwakke punten volgens later onderzoek
Sinds 1925 zijn nieuwe bronnen beschikbaar gekomen, waardoor het boek op enkele punten is verouderd. Met name:
- Tazelaar kende de volledige Briefwisseling van Groen nog niet.
- De latere uitgave van de Bescheiden (1990 en 1992) werpt veel nieuw licht op Groens geestelijke ontwikkeling.
- Hij besteedt relatief weinig aandacht aan internationale invloeden (zoals Genève, het Réveil en Britse denkers).
- De religieuze ontwikkeling wordt tamelijk voorzichtig beschreven; latere historici leggen meer nadruk op de invloed van het Réveil en figuren als Isaäc da Costa en Willem Bilderdijk.
Ondanks zijn leeftijd geldt De jeugd van Groen nog steeds als een klassieker binnen het Groen-onderzoek. Voor de periode 1801–1827 is het nog altijd een van de meest gedetailleerde studies. Veel feitelijke reconstructies zijn overeind gebleven; vooral de interpretatie van Groens geestelijke ontwikkeling is door latere onderzoekers aangevuld en op onderdelen bijgesteld. Bovendien was het onderwerp voor Tazelaar persoonlijk belangrijk: hij groeide op in een uitgesproken antirevolutionair-calvinistisch milieu en zag zijn proefschrift niet alleen als wetenschappelijk werk, maar ook als een bijdrage aan het begrip van een voor hem bewonderde staatsman.
In februari 1940 promoveerde Hendrik Smitskamp aan de Vrije Universiteit op een vaak geciteerd proefschrift met de titel Groen van Prinsterer als historicus.
J.L.P. Brandts Groens geestelijke groei. Onderzoek naar Groen van Prinsterers theorieën tot 1834 (Amsterdam, 1951) is een klassieke dissertatie die lange tijd het standaardwerk is geweest over de ontwikkeling van Groen van Prinsterers denken vóór zijn politieke doorbraak. Het boek bestrijkt Groens leven vanaf zijn jeugd tot ongeveer 1834, toen zijn historische en politieke overtuigingen grotendeels waren uitgekristalliseerd. Deze heeft aangetoond dat Groens historische benadering zich steeds meer heeft verdiept door de religieuze opleving in de beweging van het Reveil.
De centrale these van Brants is dat Groen geen plotselinge breuk doormaakte, maar een geleidelijke geestelijke en intellectuele groei. De jonge Groen wordt gevormd door de cultuur van de Nederlandse elite na 1815. Religie is aanvankelijk vooral een kwestie van moraal en beschaving en nog niet het hart van zijn denken. Volgens Brants is de kennismaking met de Duitse historische rechtsschool, vooral met Friedrich Carl von Savigny, beslissend. Van Savigny leert Groen onder andere:
- instellingen groeien historisch;
- een volk heeft een eigen karakter;
- geschiedenis is een organisch proces;
- abstracte rationalistische staatsconstructies zijn gevaarlijk.
Brants noemt deze invloed zelfs een van de belangrijkste “doorbraken” in Groens ontwikkeling. Pas daarna komt de diepere geestelijke verandering. Door het Réveil, persoonlijke geloofservaringen en contacten met gelovigen ontdekt Groen:
- de ernst van de zonde;
- Gods voorzienigheid in de geschiedenis;
- de noodzaak van bekering;
- het gezag van de Bijbel.
Volgens Brants wordt de historische methode hierdoor niet vervangen maar gekerstend. Zijn bekering tot het orthodox-protestantse geloof veranderde zijn uitgangspunten diepgaand, maar vernietigde zijn eerdere historische belangstelling niet. Integendeel: zijn geloof gaf zijn historische visie een nieuwe richting. Deze interpretatie is later door verschillende historici overgenomen.
In 1951 promoveerde Lou Brants bij Smitskamp, die inmiddels hoogleraar aan de VU was geworden, op Groen’s geestelijke groei. Ook Brants was kritisch. Groen zou ‘logicistisch’ zijn en het historisch gegroeide tot norm verheffen. Brants was de eerste die systematisch liet zien dat Groens ontwikkeling niet uit twee losse perioden bestaat (“liberaal” tegenover “orthodox”), maar uit één doorgaande ontwikkeling waarin oude inzichten worden opgenomen in een nieuw christelijk wereldbeeld. Deze interpretatie heeft veel invloed gehad op latere onderzoekers. Zo verwijst recent onderzoek aan de Vrije Universiteit nog steeds naar Brants’ conclusie dat Groens historische benadering zich juist verdiepte door zijn bekering en niet verdween.[1]
1973 J. Zwaan promoveert aan de VU op Groen van Prinsterer en de klassieke oudheid. Groen kreeg een grondige klassieke opleiding aan het Latijnse school en de universiteit. Hij beheerste Grieks en Latijn uitstekend. Deze kennis bleef zijn hele leven zichtbaar in zijn geschriften, toespraken en correspondentie. Zwaan wil laten zien dat Groen geen tegenstander van de klassieke cultuur was, maar haar waarde steeds beoordeelde vanuit een christelijk-historisch perspectief. Daarmee corrigeert hij het beeld dat Groen uitsluitend een anti-humanistische denker zou zijn. Groen bewonderde:
- de intellectuele kracht van Plato,
- de historische nauwkeurigheid van Thucydides,
- de politieke wijsheid van Aristoteles,
- de schoonheid van de Griekse cultuur.
Maar deze bewondering kende duidelijke grenzen. Volgens Groen bleef de Griekse beschaving uiteindelijk:
- religieus blind;
- moreel onvolkomen;
- niet in staat de mens werkelijk te verlossen.
Groen gebruikt de oudheid vaak als spiegel voor zijn eigen tijd. Hij vergelijkt de negentiende eeuw regelmatig met:
- de crisis van de Romeinse Republiek;
- de ondergang van het Romeinse Rijk;
- de democratische ontsporingen van Athene.
Zijn boodschap is dat politieke instellingen alleen standhouden wanneer zij rusten op een morele en religieuze basis.
1989 publiceerde dr. A.J. van Dijk een proefschrift over Groen van Prinsterer’s lectures on Unbelief and Revolution en sloot zich aan bij Kamphuis en Zwaan. The book consists of three major parts:
- a historical introduction to the background of Unbelief and Revolution;
- an extensive analysis of Groen’s thought;
- a complete English translation of Ongeloof en Revolutie (pp. 292–539).
https://chatgpt.com/share/6a595972-f4f8-83eb-b98c-761670a2a62a
1993 dr. J.W. Kirpestein: Groen van Prinsterer als belijder van kerk en staat.
Kirpestein probeert Groen niet primair te reconstrueren als een politiek theoreticus met een gesloten systeem, maar als een gelovige die in zijn politieke en kerkelijke handelen rekenschap wilde geven van de openbaring van God. Een van Kirpesteins belangrijkste correcties is dat men Groen niet moet beoordelen alsof hij een systematische politieke filosofie had moeten ontwerpen. Groen wilde volgens Kirpestein juist geen afgerond systeem geven. Zijn centrale vraag was steeds: Welke geloofskeuze wordt van de christen gevraagd tegenover de concrete politieke en kerkelijke ontwikkelingen van zijn tijd?
Dat verklaart ook waarom Groen zich soms aan verschillende staatsvormen kon aanpassen. Zijn antirevolutionaire houding was niet gebonden aan één institutioneel model, maar aan de vraag of een bepaalde politieke orde zich liet verenigen met de gehoorzaamheid aan Gods openbaring. Dat betekent niet dat Groen een theocratisch staatsstelsel wilde ontwerpen. Het betekent eerder: de staat zelf is onderworpen aan God en kan daarom niet worden verstaan vanuit menselijke autonomie. Daarmee krijgt Groens bestrijding van het liberalisme een diepere betekenis. Zijn bezwaar tegen de revolutie is niet alleen dat deze tot verkeerde politieke instituties leidt. Het probleem zit dieper: de revolutionaire politiek maakt de mens uiteindelijk tot soeverein over het politieke leven. Daarom is de strijd tegen het liberalisme voor Groen een strijd om de grondslag van het gezag. Dat is een belangrijk verschil met een interpretatie waarin Groen vooral wordt gelezen als voorloper van een later uitgewerkte antirevolutionaire politieke theorie.
De gebruikelijke voorstelling was dat het beslissende keerpuntvan Groen in 1833 lag, met Groens definitieve bekering. Kirpestein verschuift het accent naar 1829. Toen Groen als lid van de Tweede Kamer in aanraking kwam met de politieke praktijk, begon hij volgens Kirpestein de innerlijke aard van de revolutionaire theorieën te doorzien. De periode 1829–1833 was vervolgens een overgangsperiode waarin Groen steeds nadrukkelijker naar een theologische fundering van zijn politieke denken zocht.
Kirpestein neemt Groens eigen geloof serieus als historische verklaringscategorie. Bij de verdediging van zijn proefschrift zei hij dat een christen in de geschiedenis dingen kan zien die een niet-gelovige niet ziet. Dat was bewust een forse stelling, die tijdens zijn promotie ook kritisch werd bevraagd door onder anderen G.J. Schutte. [1]
Kirpestein wil dus niet slechts schrijven: Groen geloofde dat God in de geschiedenis werkte. Hij probeert te laten zien dat dit geloof de manier bepaalde waarop Groen politieke en kerkelijke gebeurtenissen interpreteerde.
Dat maakt zijn studie wezenlijk anders dan een uitsluitend institutionele politieke geschiedenis. Kirpestein heeft Groen verschoven van het beeld van de negentiende-eeuwse antirevolutionaire staatsman naar dat van de christen die staat én kerk principieel vanuit Gods openbaring wilde verstaan en verdedigen.
Kirpestein publiceerde rond zijn promotie bijvoorbeeld een afzonderlijke bijdrage over Hermann Friedrich Kohlbrugge als informant van Groen, waarbij hij brieven uit 1832 over de pogingen om samenkomsten van Utrechtse bezwaarden te verhinderen bespreekt.[2] Voor de bundel Groen van Prinsterer in Europese context (2004) schreef hij een bijdrage over Groen van Prinsterer en het internationale Reveil.
[1] https://www.digibron.nl/viewer/collectie/Digibron/id/tag:RD.nl,19930616:newsml_a0cae3959d4d04d746576955995d822d
[2] https://www.digibron.nl/viewer/collectie/Digibron/id/Ecclesia_19930625_102_ART_S001_CID001?utm_source=chatgpt.com
1993 J. van Eijnatten (VU-historicus): God, Nederland en Oranje. Dutch Calvinism and the Search for the Social Centre.
Van Eijnatten was getroffen door de intensieve confrontatie tussen enerzijds een herlevend calvinisme en anderzijds het algemene moderne bewustzijn, dat zijn basis vond onder andere in technologie en industrialisatie. Essentieel voor het uit deze confrontatie gegroeide socio-theologische paradigma bij Groen was de totaalvisie op God, mens en wereld (the unitary outlook). Deze totaalvisie noemde hij wisselend ‘hegeliaans’, ‘teutonisch’ of ‘pruisisch’. Nog meer was de schrijver verrast dat men deze totaalvisie ook expliciet heeft willen aantonen.
Het woord ‘beginselen’, geïnitieerd door Groen en veel gedetailleerder uitgewerkt door Kuyper, kreeg een dominerende betekenis. Zo zou de Amerikaanse revolutie zijn gebaseerd op calvinistische beginselen, de Franse Revolutie op revolutionaire of anti-calvinistische. Groens ‘vlammend schrift der geschiedenis’ vertegenwoor digde, aldus de schrijver, de algemene neiging in Groens tijd om het goddelijke meer tastbaar te maken en om het transcendente menselijk te maken in de geschiedenis. Vandaar ook de populariteit van het drievoudig snoer ‘God, Nederland en Oranje’, een typisch ‘moderne’ combinatie van godsdienst, metafysica en mythologie. Groens claim, dat, als men op het eigen leven de Voorzienigheid betrekt, men dit ook op de gemeenschap, het land moet doen, veroorzaakte een probleem dat voorheen eenvoudig niet bestond. Dit probleem was: het onderkennen van de Voorzienigheid in publieke aangelegenheden. Deze ‘claim’ (in werkelijkheid een retorische vraag van Groen) was, achteraf gezien, slechts een stap om het probleem op te lossen en te verschuiven naar een ondoorzichtig geheel van secondaire oorzaken. Navolgers van Groen in meer recente tijd hebben gezegd, aldus de auteur, dat zij slechts een algemene voorzienigheid erkenden en de bijzondere Hand Gods niet nader konden definiëren
2008 W.G.F. Vliet promoveert op 24 juni aan de VU op Groen van Prinsterers historische benadering van de politiek.[2]
Waarin hij voor ons doel hier relevant melding maakt van de theoloog Nico T. Bakker (oud-hoogleraar dogmatiek aan de Universiteit van Amsterdam), sterk geïnspireerd door de theologen Karl Barth en K.H. Miskotte, die in 1996 het boek schreef Geschiedenis in opspraak (‘Over de legitimatie van het concept geschiedenis’).
W.G.F. van Vliet behandelt opvattingen van Groens buitenlandse geestverwanten, zoals de Duitse lutheraan Stahl, de Iers-Britse conservatief Burke en de Franse calvinist Guizot. Dat Groens historische benadering politieke implicaties had, blijkt uit zijn stellingname in belangrijke politieke kwesties: de Belgische kwestie, de verhouding tussen kerk en staat, het onderwijsvraagstuk en de positie van de constitutionele monarchie. Van Vliet besluit zijn boek met een samenvattende beschouwingen over Groens historische benadering, mede in relatie tot de opvattingen van politici, historici en theologen uit latere tijd.
Groen van Prinsterer komt niet expliciet in deze publicatie voor. Het thema ‘God in de geschiedenis’ was echter zo nadrukkelijk aanwezig in dit werk, dat vermelding hiervan in zijn beschouwingen noodzakelijk achtte. Bakker nam zijn uitgangspunt in wat hij noemde: ‘het geschiedende woord’, de bijbelse verkondiging. De vraag die hij vooral behandelde was de vraag naar de verhouding tussen het ‘Woord’ en de geschiedenis in zijn algemeen gangbare betekenis.
2018 Jan Adriaan Schlebusch is een Zuid-Afrikaanse christelijke filosoof en historicus uit Bloemfontein. Hij promoveerde op 25 juni 2018 aan de Rijksuniversiteit Groningen op het proefschrift Strategic narratives: Groen van Prinsterer as Nineteenth-Century Statesman-Historian. Hij staat bekend om zijn onderzoek naar en vertalingen van het werk van de negentiende-eeuwse Nederlandse staatsman en historicus Guillaume Groen van Prinsterer.
Door zijn reactie op de restauratiesuggesties van Koning Willem III in 1856 heeft Groen bijgedragen aan de consolidatie van de toen pas opgerichte Nederlandse constitutionele democratie. Door de toepassing van de fenomologisch-narratieve benadering van David Carr op de studie van Groen als staatsman en historicus, verschijnt voor het eerst een holistisch beeld van Groen als een antirevolutionair publiek figuur, die een nieuw licht werpt op de politieke strategieën achter zijn publieke betrokkenheid .Dit maakt een nieuwe waardering van de historische betekenis van Groen voor de democratische rechtsstaat in Nederland mogelijk.
https://thereformedconservative.org/groens-conservative-political-theory/
Ewald Mackay
Bijzondere vermelding verdient hier zijn proefschrift Geschiedenis bij de bron (1997), dat geldt als een van de meest systematische Nederlandse pogingen om een christelijke geschiedfilosofie te formuleren. Het boek vormt ook de theoretische basis voor Mackays latere, meer toegankelijke werken, zoals Het Grote Huis, Een leeskamer in het Grote Huis en De gedenkbalk van het Grote Huis. In die boeken probeert hij daadwerkelijk geschiedenis te schrijven vanuit de uitgangspunten die hij in zijn proefschrift heeft uitgewerkt
Mackays centrale these is dat geschiedeniswetenschap nooit volledig neutraal is. Elke historicus werkt vanuit fundamentele vooronderstellingen over de werkelijkheid. Daarom is het volgens hem legitiem dat een christen zijn geschiedschrijving expliciet laat uitgaan van een christelijk wereldbeeld, net zoals seculiere historici vertrekken vanuit hun eigen uitgangspunten. Enkele van zijn centrale uitgangspunten zijn:
- God is de Schepper én Heer van de geschiedenis.
- De geschiedenis is geen gesloten keten van oorzaken en gevolgen.
- Mensen handelen werkelijk vrij en dragen verantwoordelijkheid.
- Tegelijk werkt God door de geschiedenis heen zonder menselijke vrijheid op te heffen.
- Historische werkelijkheid is daarom een samenspel van goddelijke voorzienigheid en menselijke keuzes.
Mackay noemt dit een “open historische werkelijkheid”. Daarmee wil hij zowel determinisme als puur toeval vermijden. Een belangrijk doel van het boek is het doorbreken van het idee dat geloof en wetenschap twee gescheiden werelden zijn. Hij pleit dus niet voor minder wetenschappelijkheid, maar voor meer openheid over de levensbeschouwelijke uitgangspunten van historici en ook nog eens bijval krijgt vanuit onverwachte hoek van de Vlaming Bart van Loo en een lang genegeerde hoek, die van Viglius
Symptomatisch voor rehabilitatie en verdieping van ons verleden – vind ik niet alleen wat Bart van Loo en Peter Raedts ons duidelijk willen maken -, vooral ook de oprichting van een standbeeld voor de Fries Viglius van Aytta als nog een andere Vader van den Nederlanden naast Filips de Goede, Maria van Bourgondië en Willem van Oranje/Bredero.
[1] https://chatgpt.com/share/6a5951d1-bb90-83eb-9999-ee0a437c0e3d
[2] https://verloren.nl/Webshop/Detail/catid/24652/eid/33247/groen-van-prinsterers-historische-benadering-van-de-politiek?
