Ontdekking van de Middeleeuwen

Raedts Ontdekking van de Middeleeuwen

by Bob van Dijk

En zijn commentaar op gescheidenisopvattingen van de 19e eeuw

Raedts concludeert onder meer dat de middeleeuwen in Nederland maar matig serieus worden genomen en dat het beeld dat we ervan hebben niet klopt. Hij ontdekte veel romantische onzin, dromerij en halve waarheden en doet een onconventioneel voorstel: herschik de geschiedenis.

Dit doet hij onder meer door een herindeling van de geschiedenis voor te stellen:

  • tot 1000 is oudheid,
  • de middeleeuwen lopen tot het keerpunt van 1800 en
  • de nieuwe tijd (de combinatie van de Franse Revolutie en de industriële revolutie in Engeland) begint na de middeleeuwen, dus na 1800, een jaar voor Groens geboorte.

Want rond 1800 gaan alle middeleeuwse instellingen eraan en verandert de samenleving in Europa radicaal, namelijk van ruraal naar stedelijk; waar de meeste mensen in steden gaan wonen, waar plattelandsgemeenschappen ontbonden raken. ‘Als je de Middeleeuwen zó afbakent’ , betoogt Raedts in de NRC, ‘zijn ze geen tijd van duisternis meer.’ De vroegmoderne tijd, van 1500 tot 1750, stelt Raedts, is veel ‘middeleeuwser’ dan tot voor kort werd verondersteld.

Het negatieve beeld dat we heden ten dage in Nederland van de middeleeuwen hebben is gecreëerd tijdens de verlichting. De humanisten en calvinisten schiepen een duistere tijd vol afgoderij, ziekte, angst en dood. Liever keken we in Nederland terug naar de glorieuze zestiende en zeventiende eeuw, in plaats van naar die tijd van pest en bederf.

Raedts benadrukt dat er tijdens de Romantiek een omslag in het denken over de middeleeuwen plaatsvindt. Mede onder invloed van denkers als Rousseau ontstond het beeld van de ‘nobele wilde’, alsmede de angst voor moderniteit en het verlangen naar een ‘simpeler’ leven. Het beeld groeit dan dat men in de middeleeuwen meer verstand had van saamhorigheid en gemeenschap dan in de tegenwoordige tijd. In Nederland vindt dit idee echter weinig weerklank.

Herfsttij der Middeleeuwen

En cultuurhistoricus Johan Huizinga (1872-1945) dan met zijn Herfsttij der Middeleeuwen (1919), dat een revolutie in de geschiedschrijving veroorzaakte en dat vooral over Frankrijk en de Bourgondische Nederlanden gaat? Johan Huizinga’s meesterwerk begon oorspronkelijk als een brede studie over de schilder Jan van Eyck (van o.a. het Lam Gods; en werkzaam aan het hof van Filips de Goede in Brussel). Huizinga zag het werk van de gebroeders Van Eyck als het absolute hoogtepunt en de visuele belichaming van de Bourgondische middeleeuwse cultuur.[1]

Waar negentiende-eeuwse historici vooral aandacht hadden voor politieke gebeurtenissen en staatsvorming, verschoof dankzij Huizinga de aandacht van instellingen naar de mentale en culturele wereld van de Middeleeuwen.
Raedts benadrukt dat Huizinga de vijftiende eeuw niet zag als het begin van de Renaissance, maar juist als de laatste bloei van een oude middeleeuwse cultuur. Huizinga wil de veertiende en vijftiende eeuw juist zien “niet als de aankondiging der Renaissance, maar als het einde der Middeleeuwen.” Hierin heeft Huizinga een belangrijke correctie aangebracht op het oude vooruitgangsverhaal, maar zijn eigen alternatief — de late Middeleeuwen als een soort herfst — is eveneens te eenzijdig gebleken.

Vanaf het moment dat hij in Groningen hoogleraar werd, in 1905, had hij hier college gegeven over de vaderlandse geschiedenis. Uit de voorstudies[2] voor Herfsttij blijkt dat hij zich heel uitdrukkelijk rekenschap wilde geven in welke verhouding de middeleeuwse Bourgondische staat stond tot de latere Nederlandse republiek. Voor Huizinga was dat een serieus vraagstuk, omdat hij zich als weinig andere historici bewust was van het gevaar van anachronisme dat veel nationale geschiedschrijving aankleefde… Een sluitend verhaal over de natie, waarin het heden de logische uitkomst was van een lange rechtlijnige ontwikkeling, was in Huizinga’s ogen ‘histoire de parade’, meer ideologie dan geschiedenis, erger nog, een uiting van cultuurverval. Goede, onafhankelijke geschiedschrijving liet de grilligheid van het verleden intact. Huizinga zelf zegt: ‘Het is zoo verleidelijk, wanneer wij de historische feiten gerangschikt hebben tot een perspectief, zoodat wij er een begrijpelijk verband in zien, dat begrijpelijk verband te houden voor een als onvermijdelijk bewezen oorzakelijkheid.‘

Huizinga ging ervan uit dat de gewesten in de Rijn- en Scheldedelta tot 1400 op geen enkele wijze met elkaar verbonden waren en geen besef van verbondenheid hadden. Door een menselijk toeval, de uitgekiende huwelijkspolitiek van de hertogen van Bourgondië, zagen deze gewesten zich plotseling geplaatst onder dezelfde heer. Huizinga’s vraag was of in dat samenraapsel van vorstendommen, waarvan de enige gemeenschappelijkheid was dat zij dezelfde vorst hadden, er toch een onderlinge saamhorigheid, een ‘nationaal besef’ tot ontwikkeling kwam. Het antwoord was ontnuchterend: van enig gevoel van groeiende onderlinge verbondenheid tussen de gewesten was geen sprake. De Bourgondische elite bleef tot aan de dood van Karel de Stoute in 1477 sterker gebonden aan Frankrijk en de Franse koning dan aan de nieuw geschapen entiteit in het noorden. Zij beschouwde zich niet als de kern van een zelfstandige natie maar als een partij in het geheel van het Franse politieke spel. Dat er nooit een naam gevonden werd om de Bourgondische gewesten aan te duiden voorspelde ook weinig goeds. Soms werd wel gesproken over de ‘Nederlanden, maar dat was een louter geografisch begrip en droeg geen emotionele lading. Toen er rond 1450 sprake van was dat de hertog tot koning verheven zou worden over de gewesten die hij had verworven, speelde het Bourgondische hof met de gedachte hem koning van Friesland of van Lotharingen of van Belgisch Gallië te noemen, of misschien maar gewoon koning van Bourgondië. Dit gegoochel met namen alleen al wees erop dat zoiets als een lotsverbondenheid van alle gewesten eenvoudigweg nog niet bestond.

Het enige wat deze tijd volgens Huizinga aan de vorming van de Nederlandse natie bijdroeg, was dat door de vestiging van de Bourgondische staat de gewesten in de delta zich hadden kunnen losmaken van hun binding aan Frankrijk en het Heilige Roomse Rijk en zich zelfstandig hadden kunnen ontwikkelen, zodat zij later in staat waren om een volwaardig eigen nationaal besef op te bouwen. De rol van Bourgondië in de latere ontwikkeling van het Nederlands nationaal besef was dus slechts negatief: zij bevrijdde van oude banden, maar creëerde zelf geen nieuwe.

Het zou een anachronisme zijn te beweren dat Bourgondië en de Republiek in enige positieve betrekking tot elkaar hebben gestaan. Met andere woorden, hoe fascinerend de Middeleeuwen ook waren, en Huizinga was geboeid door de Middeleeuwen, wie iets wilde begrijpen van Nederland en de Nederlandse nationaliteit, had de Middeleeuwen niet nodig en kon volstaan met onderzoek naar de Gouden Eeuw.

Al in 1909, nog voor hij aan een serieuze studie van Bourgondië begon, had Huizinga zijn studenten voorgehouden: Er is geen andere Noord Nederlandsche beschaving dan die der 17º eeuw. En deze overtuiging werd, ondanks al zijn latere studie van de Middeleeuwen, alleen maar sterker om ten slotte uit te monden in de lofzang op het zeventiende-eeuwse Nederland die hij in 1941 publiceerde.[3] Hierin ging hij helemaal niet meer op zoek naar de voorgeschiedenis van Nederland, dat was nergens voor nodig, want: ‘Honderd, ja vijftig jaar voor Rembrandts geboorte bestond er nog geen Nederlandsch volk in den zin, waarin wij het hier verstaan’. Wel was Huizinga van mening dat de nieuwe Republiek een uiterst conservatieve, nog bijna middeleeuwse staat was die ontstaan was uit de afwijzing van zestiende-eeuwse bestuurlijke vernieuwingen, maar haar cultuur was de modernste van Europa. Uit angst voor anachronistisch en nationalistisch versleten te worden bevestigde de mediëvist Huizinga het negentiende-eeuwse oordeel dat als het over Nederland ging, de Middeleeuwen aan de vergetelheid konden worden prijsgegeven.[4]

Volgens Huizinga waren de Bourgondische Nederlanden dusoververfijnd; ceremonieel; doordrongen van symboliek; gekenmerkt door een gevoel van vermoeidheid en verval.

Het beroemde beeld van de “herfst” verwijst naar een cultuur die haar rijkste kleuren toont vlak vóór haar einde. Raedts merkt op dat dit een krachtige interpretatie is, maar geen neutrale of adequate beschrijving. Raedts bewondert Huizinga’s stijl, die de lezer de Middeleeuwen wil laten ervaren zeer en noemt Huizinga een uitzonderlijk stilist, maar merkt ook op dat hierdoor soms een esthetisch beeld ontstaat dat sterker is dan de historische onderbouwing.

Nieuw onderzoek in de jaren zestig echter wees erop dat:

  • de vijftiende eeuw economisch juist op veel plaatsen groeide;
  • religieuze cultuur levendiger was dan Huizinga dacht;
  • de overgang naar de Renaissance minder abrupt verliep;
  • de Bourgondische cultuur niet eenvoudig als “verval, oververzadiging, verwildering en herfst” kan worden gezien.

Daarom spreken veel hedendaagse historici liever over transformatie dan over verval. Huizinga’s beeld van de Bourgondische hofcultuur is te sterk esthetisch, maar later onderzoek heeft veel meer aandacht besteed aan de politieke en administratieve werkelijkheid van de Bourgondische staat: belastingen, instellingen, ambtenaren, stedelijke belangen, oorlogvoering en staatsvorming. Daarmee verschuift het beeld van: “een schitterende maar vermoeide hofcultuur” naar: “een samenleving waarin tegelijkertijd zeer moderne vormen van staatsvorming en economische ontwikkeling plaatsvinden.” Dat is een belangrijke correctie op Huizinga.

Huizinga beschreef allerlei laatmiddeleeuwse religieuze verschijnselen – boetedoening, heiligenverering, devotionele praktijken, angst voor dood en oordeel – in een sterk emotioneel register. Daaruit ontstaat gemakkelijk het beeld van een religieuze cultuur die oververhit en uitgeput is. Later onderzoek naar de religieuze geschiedenis heeft veel meer nadruk gelegd op de levendigheid en creativiteit van het laatmiddeleeuwse christendom. Denk bijvoorbeeld aan:

  • de Moderne Devotie;
  • nieuwe vormen van gebed;
  • religieuze broederschappen;
  • lekenvroomheid;
  • religieuze literatuur;
  • hervormingsbewegingen.

Dat sluit eigenlijk goed aan bij een belangrijk punt in Raedts’ eigen ontwikkeling: hij verzette zich tegen de neiging om middeleeuws christendom te reduceren tot een verzameling vreemde rituelen.

De betekenis van Huizinga ligt volgens Raedts minder in de juistheid van ieder historisch oordeel dan in zijn vermogen om fundamentele vragen te stellen. Daarmee liep Huizinga vooruit op latere ontwikkelingen zoals de geschiedenis van mentaliteiten en de cultuurgeschiedenis. Het belangrijkste van Huizinga dat inmiddels is herzien, is niet zozeer zijn aandacht voor mentaliteit, maar zijn interpretatieve kader waarin die mentaliteit wordt geplaatst, want Huizinga’s “middeleeuwse mens” bestaat niet. Dit is misschien de meest fundamentele methodologische correctie. Huizinga spreekt geregeld alsof er een min of meer gemeenschappelijke middeleeuwse mentaliteit bestaat.

Piet Geyls Groot-Nederlandse geschiedbeschouwing[5]

De Utrechtse historicus Pieter Geyl (1887-1966) seculier-liberaal)[6] kwam tot precies de tegenover gestelde conclusie als Johan Huizinga (doopsgezind). Johan Huizinga blijft Neerlands bekendste historicus, maar een goede tweede is toch wel Pieter Geyl en voor mijn betoog een heel belangrijke schakel of getuige. Voor wie nog nooit van hem gehoord heeft, verwijs ik naar recensie van zijn in 2010 opnieuw uitgeven autobiografie tot 1940 Ik die zo weinig in mijn verleden leef in Historisch Nieuwsblad[7] en een artikel Pieter Geyl, de erfenis van een hartstochtelijk historicus en polemist van Wim Berkelaar uit 2015.[8]

Geyl gaf namelijk onmiddellijk toe dat Nederland zijn middeleeuws verleden vergeten had, maar dan ook de belangrijkste oorzaak was, dat Nederlanders zich waren gaan opsluiten in een eng, Noord-Nederlands nationaal besef, waarin alleen de herinnering aan de Gouden Eeuw telde. Huizinga’s werk was een blijk van deze vergissing, ook al waagde Geyl het niet de grote meester al te openlijk te kritiseren. Zelf was hij van jongs af aan gegrepen door de Groot-Nederlandse gedachte, de idee dat alle Nederlandssprekenden deel uitmaakten van dezelfde Nederlandse stam, waarmee hij bedoelde dat zij leden waren van dezelfde taal- en cultuurgemeenschap. Hij zag het als zijn levenswerk om die gemeenschappelijkheid van een historisch fundament te voorzien. En om dat te kunnen leggen had hij de Middeleeuwen nodig, de tijd vóór de breuk tussen Noord en Zuid, de tijd waarin volgens hem de Nederlandse taalgemeenschap was ontstaan en zich voorzichtig van haar eenheid bewust was geworden. Pas als Nederlanders en Vlamingen zich realiseerden dat zij oorspronkelijk deel hadden uitgemaakt van één gemeenschap, zouden zij ook beseffen hoe toevallig en noodlottig de breuk in de zestiende eeuw was. De Groot-Nederlandse Middeleeuwen waren voor Geyl de tijd van belofte, van hoop op een gezamenlijke nationale toekomst, de zestiende eeuw was het ruw ontwaken uit die droom.

Zijn essay “Groot-Nederlandse tegenover klein-Nederlandse geschiedbeschou-wing” is een van de belangrijkste stukken in Pieter Geyls Geschiedenis als medespeler (1958) en vormt in zekere zin het centrum van de bundel. Een tijdgenoot noemde het zelfs het stuk waarin Geyls hele visie op geschiedenis, nationaliteit en zijn eigen positie het meest kernachtig samenkomt.

1. De kern van Geyls betoog

Geyl verzet zich tegen wat hij “klein-Nederlandse geschiedbeschouwing” noemt: de neiging om de geschiedenis van Nederland automatisch te schrijven vanuit de grenzen van de moderne Nederlandse staat. Onder de Klein-Nederlandse geschiedschrijving liet hij zowat alle Nederlandse historici vallen die de grenzen van het huidige Nederland accepteerden en terug projeerden in de geschiedenis. Volgens Geyl is dat historisch onjuist.

De Nederlandse staat van na 1830 is namelijk niet het vanzelfsprekende eindpunt van een eeuwenlange ontwikkeling. De politieke grens tussen Nederland en België is relatief recent, terwijl er daarvóór een veel grotere Nederlandse historische en culturele ruimte bestond.

Voor Geyl is het belangrijkste gegeven de historische eenheid van de Nederlanden.

Uit zijn historische visie op de scheiding tussen Nederland en Vlaanderen sprak een diep doorleefde visie, die zijn oorsprong vond in zijn opvatting over de Nederlandse Opstand.

Geyl beschouwde de Opstand niet als een onvermijdelijk gevolg van verschil in levenshouding en vooral geloof, zoals voor hem nogal eens werd verondersteld. Hij betoogde dat de 16e-eeuwse werkelijkheid diffuser was dan historici verkondigden

Hij ziet Noord- en Zuid-Nederland niet als twee volkeren die oorspronkelijk los van elkaar stonden en toevallig ooit verenigd zijn geweest. Integendeel: er was volgens hem gedurende lange perioden een gemeenschappelijke Nederlandse cultuur- en taalwereld.

Niet noordelijk calvinisme en zuidelijk rooms-katholicisme, maar rivieren (de Rijn) zouden de scheidslijn vormen. Die rivieren beletten de opmars van de hertog van Parma in noordelijke richting. In het verlengde van deze gedachte keerde Geyl zich tegen het gangbare beeld van de Opstand, die niet alleen door protestantse maar ook door een liberale 19e-eeuwse historicus als Robert Fruin (foto) werd beschouwd als een Opstand ter wille van (godsdienstige) gewetensvrijheid. De nationalist Geyl beklemtoonde vooral het nationale verzet tegen de Spaanse overheersing en bezag de rol van gedreven godsdienstige minderheden (in het bijzonder calvinisten) met weinig waardering. Hun radicale drijven zou het gematigde eenheidsstreven van ‘de middengroepen’ moeilijk zo niet onmogelijk maken.

In tal van artikelen nam Geyl een voorschot op zijn grote werk Geschiedenis van de Nederlandse stam (de ontrafeling van de mythe van de calvinistische natie), dat tussen 1930 en 1937 in drie delen werd gepubliceerd, waarin hij een overkoepelend beeld zou schetsen van de verwante volkeren in de Lage Landen, die hij zag liggen in de taal. Vooral zijn artikel De protestantisering van Noord-Nederland (1930) mag vernieuwend worden genoemd. Hij toonde hierin aan dat de Noord-Nederland niet van meet af aan calvinistisch was, maar juist na de val van Antwerpen in 1585 calvinistischer van kleur werd. Met andere woorden: de scheiding had al plaatsgehad, waardoor de calvinisten uit het Zuiden naar het Noorden emigreerden en daar toen pas hun invloed goed deden gelden. En dan nog: in het Noorden bleven het rooms-katholicisme en andere protestantse richtingen meer dan verwaarloosbaar aanwezig. 
Het is ook deze protestantiseringsthese, die de rooms-katholieke historicus L.J. Rogier in 1967 lovend heeft doen opmerken dat er een geschiedschrijving voor en een geschiedschrijving na Geyl is.

Geyl richt zijn pijlen vooral op historici zoals Fruin en Pirenne[9] die de negentiende-eeuwse staatsgrens achteraf tot het organiserende principe van de geschiedenis maken. De moderne staat Nederland krijgt dan als het ware terugwerkende kracht:

  • de Nederlandse Opstand wordt een Nederlandse nationale strijd;
  • de Tachtigjarige Oorlog wordt primair vanuit het Noorden bekeken;
  • de Belgische Opstand van 1830 wordt het moment waarop een “Belgische” en een “Nederlandse” geschiedenis definitief uit elkaar gaan.

Geyl vindt dat methodologisch problematisch. Voor Geyl is de Belgische Revolutie van 1830 geen eenvoudig moment waarop twee reeds bestaande naties uit elkaar gaan. Het was weliswaar een breukmoment, maar niet noodzakelijk een bewijs dat Noord en Zuid twee fundamenteel verschillende volkeren waren. De scheiding is voor Geyl daarom in belangrijke mate een historisch geworden werkelijkheid, niet een eeuwige of natuurlijke gegevenheid. Dat is misschien wel de meest karakteristieke gedachte van zijn Groot-Nederlandse geschiedschrijving.


De Geyl van Geschiedenis als medespeler (1958) is echter niet meer helemaal de strijdbare Groot-Nederlander van De Groot-Nederlandsche Gedachte (1925/1930) en Eenheid en tweeheid in de Nederlanden (1946).
Iemans als Jo Tollebeek wijst erop dat Geyls Groot-Nederlandse engagement inderdaad het kader vormde voor een brede revisie van de vaderlandse geschiedenis, maar dat Geyl later ook meer ruimte gaf aan de betrekkelijkheid van zijn eigen standpunt.

Regenten versus orangisten

Een tweede thema dat Geyl levenslang in beslag nam, was de tegenstelling tussen regenten en orangisten. Waar Geyl de gedachte over Nederland als protestantse natie bestreed, daar keerde hij zich tevens tegen de gedachte dat de Oranjedynastie onverbrekelijk met die natie verbonden was. Protestantse maar ook liberale historici voor hem betoogden dat de Oranjes door de eeuwen heen de nationale eenheid hadden bevorderd. Daartegenover werden de regenten niet zelden afgeschilderd als belangenbehartigers, zowel van hun handelsbelangen als van het eigen gewest Holland. Liberale historici als Fruin, Blok en Colenbrander, die wel waardering hadden voor de regenten, beklemtoonden niettemin de nationale rol van de Oranjes.

Geyls confrontaties met Guillaume Groen van Prinster

Intellectueel manifesteerde Geyl zich als liberaal geschiedschrijver (iets dat hij ook was), maar hij deed dit met zoveel temperament en overgave dat het liberalisme ook iets van een (seculier) geloof had.

De ‘gelovige’ Geyl trad al aan de dag in zijn ideologisch getinte Groot-Nederlandse geschiedschrijving, maar was na de oorlog in historiografische beschouwingen versluierd ook terug te vinden. Het bleek vooral in zijn confrontatie met een protestantse historicus als Guillaume Groen van Prinster (foto). . Diens protestants-christelijke uitgangspunt liet de Nederlandse geschiedenis soms al te gemakkelijk vallen onder de banier van het ‘drievoudig snoer’ God, Nederland en Oranje. Pieter Geyl zei in 1964 dat Groen gevangen zat in het vooroordeel en dat hij in de geschiedschrijving niet meer meetelt.
Maar de bezwaren van Geyl gaan verder. Hij kan de protestantse beginselen in wezen niet aanvaarden en stelde er zijn liberale beginselen met zoveel overtuiging tegenover dat de ‘discussie zonder eind’ soms iets krijgt van een discussie tussen doven.

Wat is er van Geyls visie overeind gebleven?

Hier wordt het interessant in het licht van de huidige historiografie.

Sterk gebleven:

  1. De moderne staatsgrenzen zijn geen vanzelfsprekend uitgangspunt voor het bestuderen van het verleden.
  2. Noord en Zuid hadden vóór 1830 veel meer historische en culturele samenhang dan een strikt nationale geschiedschrijving suggereert.
  3. De Nederlandse Opstand kan niet uitsluitend als een geschiedenis van het latere Nederland worden verteld.
  4. De Belgische en Nederlandse nationale geschiedbeelden hebben het verleden inderdaad sterk vanuit hun negentiende-eeuwse nationale belangen geïnterpreteerd.
  5. Geyls waarschuwing tegen teleologische geschiedschrijving — geschiedenis schrijven alsof het huidige Nederland en België het onvermijdelijke eindpunt waren — blijft zeer relevant.

Minder houdbaar geworden:

Geyls idee van één min of meer continue Nederlandse cultuurgemeenschap vanaf de vroege Middeleeuwen is veel problematischer geworden. Feit blijft dat hij zijn geschiedschrijving nooit voorbij het jaar 1798 wist te brengen – ironisch genoeg het jaar waarin de Bataafse Republiek met haar grondwet de grondslag legde voor de eenheidsstaat Nederland zoals wij die nu nog steeds kennen, al heeft het land sedert 1813 dan het aangezicht van een erfelijke republiek.
Het kortstondige, door grootmacht Engeland in 1815 afgedwongen huwelijk tussen de twee staten, dat als buffer tegen continentale concurrent Frankrijk moest dienen, duurde niet langer dan vijftien jaar.
Moderne historici benadrukken sterker de regionale, stedelijke, religieuze en politieke verscheidenheid van de Lage Landen.

Ook zijn voorstelling dat de Groot-Nederlandse geschiedbeschouwing uiteindelijk de historiografie min of meer heeft “gewonnen”, moet worden gerelativeerd. Jo Tollebeek, auteur van “De toga van Fruin. Denken over geschiedenis in Nederlands sinds 1860” wijst erop dat na 1945 juist de Benelux/Bourgondische benadering invloedrijk werd, onder meer via de Algemene Geschiedenis der Nederlanden.

Groens afkeer van de Middeleeuwen

Samen met Groens overtuiging dat Nederland als natie zijn bestaan te danken heeft aan de strijd om het ware geloof: “haar geschiedenis vangt aan, toen, door Christelijke Hervorming, de kiem van haar bestaan werd gelegd.” schildert Groen de Middeleeuwen in de zwartste kleuren als een tijd van zedenbederf, veruiterlijking en afgoderij: ‘alles werd aan God gewijd, behalve het hart. De slechtheid van de pausen evenaarde die van de heidense keizers.’ Groens afkeer van de Middeleeuwen was zo diep, dat hij er niet toe kon besluiten om zelfstandig archiefonderzoek naar die periode te doen. In de weinige bladzijden van zijn Handboek die hij aan de Middeleeuwen besteedt (vijftig van de negenhonderd) beperkt hij zich tot het bewerken van vroegere historici als Kluit. Bovendien zijn die pagina’s eerder een reeks losse schetsen dan een doorlopend verhaal.

Zoals Peter Raedts terecht constateert wil de mens deel uitmaken van een groter geheel, van zijn volk of een religieuze gemeenschap. Behalve de behoefte aan vrijheid had de mens ook de behoefte aan echtheid, eigenheid en gemeenschap. Er verscheen een nieuwe generatie dichters en filosofen die op zoek ging naar nationale roots. Die waarschuwde dat een volk dat zijn wortels niet respecteert, dat alleen de klassieken leest en alleen Frans ‘beschaafd’ vindt, gedoemd is ten onder te gaan. Hun zoektocht eindigde in de Middeleeuwen. Britten, Fransen, Duitsers, Italianen – iedereen ‘ontdekte’ rond 1800 zijn oorsprong in de Middeleeuwen. Oude manuscripten werden afgestoft; oude helden op een sokkel gezet en de gotiek, de bouwstijl van de Middeleeuwen, werd nieuw leven ingeblazen.

De ‘ontdekking’ ervan – in de tijd van de Romantiek – heeft echter niets te maken met enige groei van onze kennis omtrent dat tijdperk, maar alles met het verzinnen van een verhaal tégen de Verlichting, tegen de verering van ‘de mensheid’, tegen de ratio – kortom, tegen de moderniteit.[10]

In Nederland liep het anders. Hier werden de katholieke Middeleeuwen terzijde geschoven als ontstaansmoment van de uit het calvinisme geboren natie, zegt ene Pieter Huistra in een recensie van het boek van Raedts[11]. „Aan het begin van de negentiende eeuw was er sprake van een leegte. Jan Wagenaar had medio achttiende eeuw Vaderlandsche Historie vervattende de geschiedenissen der nu Vereenigde Nederlanden gepubliceerd, een overzichtswerk van wel 24 delen. Daarna was er weinig meer gebeurd. In de Bataafse en Franse tijd zie je wel wat initiatieven om de geschiedwetenschap een zetje te geven – in 1802 werd bijvoorbeeld het Nationaal Archief opgericht – maar pas na de val van Napoleon veranderde er echt iets.” Nederland en België vormden op 31 mei 1815 samen het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, en die nieuwe natie had een eigen geschiedenis nodig. Pieter Huistra: „Dat viel niet mee, want die was er eigenlijk nauwelijks, behalve de tijd dat beide gebieden deel uitmaakten van het Bourgondische rijk. Daar kwam dus de focus op te liggen. Er werd in 1826 zelfs een prijsvraag uitgeschreven voor een geschiedschrijver des vaderlands, maar die mislukte. Toen het koninkrijk in 1830 uiteen viel, kon iedereen opgelucht ademhalen. Geschiedvorsers konden zich concentreren op hun favoriete tijdvak, dat van de Opstand en de Tachtigjarige Oorlog.

De invloed van Wagenaars werk uit de achttiende eeuw was aanzienlijk in het begin, zegt Maria Grever, emeritus hoogleraar historische cultuur aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en auteur van de dit jaar verschenen essaybundel Onontkoombaar verleden. Reflecties op een veranderende historische cultuur. „Wagenaar keek met een Republikeinse blik naar het Nederlandse volk, maar niet iedereen in het jonge koninkrijk was het daarmee eens. Er ontbrandde een decennialange factiestrijd over wat dan wel het Nederlandse verhaal moest worden.”

De facties sloten nauw aan bij de verzuiling die in de negentiende eeuw ontstond, zegt Pieter Huistra. „Iemand als Guillaume Groen van Prinsterer zag de geschiedenis door een orthodox protestants, Reinier Bakhuizen van den Brink door een liberaal en Willem Nuyens door een katholiek prisma. Eén ding hadden ze allemaal gemeen: ze beschouwden de Opstand als een strijd van hét Nederlandse volk tegen de Spaanse overheerser. Tegenwoordig zien we die Opstand meer als een burgeroorlog van verschillende groepen tegen elkaar, deels uitgevochten met buitenlandse huurlingen. Maar in de negentiende eeuw ontstond het beeld dat dit de geboorte was van een eensgezind Nederlands volk.”

Ironisch genoeg zagen de negentiende-eeuwse historici niet dat juist in hun eigen tijd de natie geboren werd. Het was een unieke periode in de geschiedenis, zegt Huistra.

„Die natiestaat ontstond en mensen vroegen zich af: hoe zijn we hier gekomen? Ze gingen echter niet met een open blik op zoek in het verleden, maar zochten iets dat ze wilden vinden. Hun Nederlandse natie bestond nog helemaal niet in de zeventiende eeuw.”

Breuklijn in de geschiedenis

Raedts geeft als voorbeeld van een dergelijke losse flodder wat Groen van Prinsterer vertelt over de schatrijke vrouwenabdij van Rijnsburg, begraafplaats van de graven van Holland. Alleen adellijke dames werden er toegelaten, de abdis sierde zich met de titel Hoogheid, en de levenswijze was er zo comfortabel dat paus Nicolaas v in 1450 moest ingrijpen, overigens tevergeefs. Dat de nonnen zo rijk waren geworden, was alleen te danken aan het dwaze geloof dat een mens door giften en schenkingen de hemel kon verdienen. Het gevolg was ‘dat, door valsche hoop en vertrouwen, de hoop en het vertrouwen op Christus weggenomen werd’. Groen moest toegeven dat er in de veertiende en vijftiende eeuw pogingen waren gedaan om tot het evangelie terug te keren en hij noemt daarbij dezelfde namen die Hofstede de Groot vier jaar eerder genoemd had: Geert Grote, Thomas a Kempis en Erasmus. Maar erg veel heeft hij met hen niet op: volgens hem was Erasmus een lafaard die zich altijd op de vlakte had gehouden en de keuze voor de waarheid van het evangelie zijn hele leven uit de weg was blijven gaan. Geert Grote en Thomas hadden er weliswaar op gewezen dat geloof een zaak van het hart was en niet van werken, maar omdat zij dit alleen maar tegen hun eigen kleine groep van leerlingen hadden gezegd, had het geen gunstig effect gehad, eerder het tegendeel, daardoor was nog eens ‘het gepleisterde graf overgepleisterd. Waar Hofstede de Groot in deze drie mannen het vaderlandse christendom in zijn oorspronkelijke zuiverheid ontwaarde, kon Groen hun optreden alleen maar zien als een machteloze, halfhartige poging om het bederf te keren.

De Reformatie, en de Reformatie alleen, bracht de keer ten goede, in de strijd om het ware geloof was Nederland als natie ontstaan en sindsdien is ‘het Gereformeerde volksgeloof […] in elk hagchelijk tijdsgewricht, de steun van Kerk en Vaderland geweest’. Door krachtige uitspraken als deze wordt begrijpelijk dat protestants Nederland i.t.t. Engeland de Middeleeuwen nooit heeft kunnen aanvaarden als deel van het christelijk en nationaal verleden.


Voordat wij verder aan publicaties over Groen toekomen, heb ik twee historische prologen toegevoegd: zoals wij het nu over het postmodernisme hebben, had men het toen over het historisme. Dat vraagt om uitleg! De andere betreft het ‘politiek’ antipapisme in de periode 1872-1925.

Proloog 1: Historisme

Om te beginnenis het wellicht handigom eerst even kennis te nemen van een begrip, dat ook bij mij lang geduurd heeft, voor ik het een beetje begreep: historisme.
In 2011 publiceerde universitair docent historiografie het behulpzame boek Moeras van de geschiedenis: Nederlandse debatten over historisme, 1920-1970 met deze inleiding?[12]

Vertelt het verleden ons wie we zijn? Wijst de geschiedenis ons een weg naar de toekomst? Is historisch besef wel nuttig in een samenleving die ingrijpend verandert?

De kruitdampen van de Eerste Wereldoorlog waren nog niet opgetrokken, of deze sceptische vragen doken in heel Europa op. Was de negentiende eeuw een tijdperk van historisch denken geweest _ ‘in het verleden ligt het heden, in het nu wat worden zal’ _ de twintigste eeuw wist hiermee weinig raad meer. Politici, journalisten, predikanten en filosofen: elk op hun eigen manier zochten ze naar de mogelijkheden, beperkingen en valkuilen van historisch denken. Opvallend genoeg cirkelde dit debat vaak rond één enkel woord: historisme. Zoals ‘postmodernisme’ in de jaren negentig op ieders lippen lag, zo was ‘historisme’ in de jaren twintig en nog lang daarna een kernwoord voor velen die over geschiedenis nadachten. Het moeras van de geschiedenis vertelt hoe dit debat in Nederland gevoerd werd. Het presenteert een bonte stoet van musici, architecten, literatuurwetenschappers, historici en theologen, die rond het woord ‘historisme’ elk hun eigen kijk op geschiedenis ontwikkelden. Historisme blijkt namelijk geen eenduidige leer, maar een verzamelnaam voor een manier van denken over geschiedenis die in de negentiende eeuw dominant werd. De bundel laat juist zien dat de term in Nederland op uiteenlopende manieren is gebruikt en vaak ook als polemisch begrip fungeerde. Een definitie die de teneur van Het moeras van de geschiedenis goed weergeeft, is:

Historisme is de opvatting dat mens, cultuur en samenleving alleen vanuit hun historische ontwikkeling en context kunnen worden begrepen, waarbij de geschiedenis het primaire interpretatiekader vormt; afhankelijk van de invulling kan dit een historische methode zijn of een wereldbeschouwing die blijvende, bovenhistorische waarheden relativeert. Bart Jan Spruyt vat het als volgt bondig samen: Over een teveel aan geschiedenis dat ons verlamt, en een te weinig aan geschiedenis dat alles relativeert en ons met lege handen doet staan. Over overwaardering en minachting van het verleden.  Wat kunnen wij nog geloven, denken en doen wanneer wij niet meer zijn dan de gevangenen van de tijd? Of: hoe voorkomen we dat we zozeer in de ban van een groots verleden raken dat een geconstrueerde traditie ons alleen maar verlamt omdat we er overbodige vreemdelingen in onze eigen tijd mee worden?[13]

De Nederlandse discussie

De bundel benadrukt dat “historisme” in Nederland minstens drie betekenissen heeft gekregen:

  1. Een wetenschappelijke methode
    1. Historisme als nauwkeurige historische benadering die recht doet aan de eigenheid van iedere periode (in de traditie van Leopold von Ranke).
  2. Een levens- en wereldbeschouwing
    1. Historisme als overtuiging dat alle normen, waarden en instituties historisch relatief zijn en geen blijvende grond hebben.
  3. Een kritiekterm
    1. Vooral vanuit christelijke kring werd historisme bekritiseerd omdat het zou uitlopen op relativisme: als alles historisch bepaald is, verdwijnen vaste waarheden, openbaring en blijvende normen.

Relatie tot Groen van Prinsterer

Deze bundel laat zien dat Groen geen historicist in de relativistische zin was, hoewel hij juist sterk historisch dacht. Groen benadrukte immers:

  • de onmisbaarheid van historische context;
  • de unieke ontwikkeling van volken;
  • de leiding van Gods voorzienigheid in de geschiedenis;
  • blijvende normen vanuit de openbaring.

Daarmee staat hij volgens verschillende bijdragen in de bundel op een grenspositie: hij deelt veel methodische uitgangspunten met het historisme, maar verwerpt de filosofische consequentie dat waarheid volledig historisch bepaald zou zijn. Dat onderscheid tussen historisme als methode en historisme als filosofie is een van de belangrijkste conclusies van de bundel en vormt de sleutel tot de Nederlandse debatten die erin worden beschreven.

In dit nummer van RadixVolume 50, Issue 4, aug. 2024, p. 338 – 349 heeft Jelmer Heeren artikel geschreven over Historisme en geschiedschrijving: een spanningsveld, waar zijn eerste zin gelijk luidt: Wie Het moeras van de geschiedenis. Nederlandse debatten over historisme (2012) van Herman Paul heeft gelezen….
De Abstract luidt: Wie heeft er recht van spreken: theologen, filosofen of toch historici? Vanaf de negentiende eeuw won het historische denken aan invloed en zeggingskracht. Hoewel dit denken veel heeft opgeleverd, werd historisme al snel een scheldwoord voor gevallen waarin deze benadering het alleenrecht opeiste. Dit artikel verkent het spanningsveld tussen enerzijds de erkenning van het belang van geschiedenis voor begrip en anderzijds een radicale historisering van de werkelijkheid, met verstrekkende ontologische, epistemologische en ethische gevolgen.

Proloog 2: antipapisme

De breuklijn met het verleden viel samen met die van de breuk met het rooms-katholicisme, die ook Groen van Prinsterer nog parten speelde, doordat hij Katholieken waren eigenlijk geen echte burgers. Zo pleitte hij voor een afzonderlijk bestuur voor Noord Brabant en Limburg (naar 18-eeuws model) en zei hij:  ‘zoo er een historische staat is, dan is, uit den aard der zaak, de Hervormde Kerk de Nationale Kerk’ en sprak hij over het zuivere evangelie’ versus ‘de dwalingen der Pauselijke kerk’.

De Katholiek historicus Hardy Beekelaar (1933-2026) typeerde dit retorisch in zijn bijdrage aan de herdenkingsbundel Een staatsman ter navolging (1976/1977) als ‘een soort apartheidsstaat voor de roomse inboorlingen’. Hij doelde daarmee op een vroeg politiek denkbeeld van de jonge Groen van Prinsterer, ontstaan in de jaren 1830, kort na de Belgische Opstand. Hij nam duidelijk afstand van sommige protestants-antirevolutionaire uitgangspunten van Groen. Groen bleef volgens hem te sterk denken vanuit een protestants nationaal verleden. Zijn visie op de Reformatie was volgens Beekelaar te weinig open voor de katholieke traditie. Ook Groens oordeel over de Nederlandse Opstand achtte hij te eenzijdig confessioneel. Wel vond hij dat historici de religieuze achtergrond van Groen serieus moesten nemen in plaats van haar weg te verklaren als louter ideologie. Ook heeft hij meegeholpen het beeld van Groen te verschuiven van een “achterhaalde antirevolutionair” naar een complexe negentiende-eeuwse intellectueel, staatsman en historicus. https://chatgpt.com/share/6a72f8b7-b964-83eb-b77d-a2c04d7816ff

Hoewel de Christen Vrienden van Groen ook niets moesten hebben van de jezuïeten, konden zij niet voorkomen, dat na de grondwetsherziening van 1848 de Rooms-Katholieke Kerk onder paus Pius IX de mogelijkheid kreeg om de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland te herstellen. Door die grondwetherziening van de liberaal Johan R. Thorbecke was er een gelijkstelling gekomen van alle gezindten en daarmee kwam er pas definitief een einde aan de eeuwenlange bevoorrechte positie van de protestanten (lees: calvinisten

Dat herstel gebeurde in 1853, toen er in het hele land ook overal nieuwe katholieke kerken werden gebouwd. Als je er een tegenkomt, vraag maar na, van wanneer die dateert! Als reactie barstte er een storm van antipapistisch protest los, die als de Aprilbeweging de geschiedenis is ingegaan.

Guillaume Groen van Prinsterer zat in die turbulente tijd in de Tweede Kamer. Anders dan de meesten van zijn ‘antirevolutionaire’ geestverwanten liet Groen zich in zijn politiek-maatschappelijk handelen leiden door de beginselen van zijn orthodox-protestantse geloof. Ondanks zijn twijfels over de ware beweegredenen van de leiders van de ‘grootprotestantse’ protestbeweging veroordeelde hij de acties niet openlijk. De kerkhistoricus J.A. Bornewasser heeft de tweeslachtige houding van Groen ten opzichte van zijn ‘roomse’ landgenoten treffend omschreven. Hij maakt daarbij een onderscheid tussen wat hij noemt Groens antirevolutionaire en diens christelijk-historische ‘ziel’. De eerste zorgde ervoor dat Groen het rooms-katholicisme zag als bondgenoot in de strijd tegen ongeloof en revolutie; om deze dominante denkrichting te kunnen weerstaan was het noodzakelijk dat de gelovigen uit beide kampen gezamenlijk optrokken. Maar door de tweede ziel beïnvloed, zag hij in ‘Rome’ nog steeds de antichrist, aan wiens handen het bloed van zo menig protestantse voorvader kleefde. Deze politicus, die wel de vader van de protestants-christelijke partijpolitiek wordt beschouwd, werd overigens zowel van katholieke als van protestantse zijde bestreden. Was hij in de ogen van veel van zijn protestantse broeders een ‘protestantsche Jezuïet’, voor veel katholieken was hij nog onmiskenbaar antipapist.[14]

Begin jaren zeventig nam Abraham Kuyper de leiding over van het antirevolutionaire smaldeel. De basis voor de binnen de protestantse gelederen naar verluidt ‘veel positievere houding’ van de gereformeerden tegenover de oude erfvijand ‘Rome’ ligt onmiskenbaar bij deze antirevolutionaire voorman. Hij was het die, wat hij zelf het ‘politiek antipapisme’ noemde op den duur afzwoer. Stapsgewijs zwakte hij in de jaren tachtig van de negentiende eeuw in artikelen en commentaren de eeuwenoude antithese tussen orthodoxe protestanten en katholieken af, om tegelijkertijd voortdurend de grotere, reeds door Groen geaccentueerde scheidslijn tussen gelovigen en ongelovigen te benadrukken. Kuyper legde daarmee de basis voor de grote coalitie van ‘Rome en Dordt’ (of Calvijn), die door met name de liberale, verlicht-protestantse opponenten, maar ook door ultraorthodoxe critici als ‘monsterverbond’ werd bestempeld.

Waar dat toe leidde kunnen we teruglezen in de publicatie Heelen en Halven van John van Zuthem uit 2001 over Orthodox-protestantse voormannen en het ‘politiek’ antipapisme in de periode 1872-1925. De Nederlandse samenleving veranderde toen ingrijpend door stormachtige ontwikkelingen op sociaaleconomisch en politiek vlak, niet in het minst door de vorming van een coalitie van gezworen erfvijanden: de katholieken en de orthodox-protestanten. Hoewel niet alle opvattingen over en stellingnames tegen het katholicisme automatisch terug te voeren zijn op antipapisme, blijkt dat die anti-houding een dominante rol speelde binnen zowel de katholiek-protestantse als de intern-protestantse verhoudingen. Zo kwam zij alleen al telkens weer te voorschijn in tijden dat er gestreden moest worden om de gunst van de kiezer. Toen de eeuwenoude tegenstelling met ‘Rome’ voor protestants Nederland niet langer meer hèt samenbindend element vormde, werden de antikatholieke uitlatingen voortdurend als ‘instrument’ gebruikt in de onderlinge strijd tussen de verschillende politiek-kerkelijke stromingen. Zo werd een krachtdadige stellingname tegenover het oprukkend katholicisme, of juist het achterwege blijven daarvan, een stok om andersdenkende protestantse broeders te slaan. Dit voortdurende gebakkelei over ‘Rome’ werkte meestal averechts en heeft al met al dan ook meer de protestanten dan de katholieken geschaad.    


[1] https://share.google/aimode/UUIsIc80RudsyPAMc

[2] Anton van der Lem (Leiden) schreef over een dissertatie over het probleem van ‘Huizinga en de Nederlandse beschaving’ aan de hand van Huizinga’s in 1941 verschenen verhandeling over Nederlands beschaving in de zeventiende eeuw: Het Eeuwige verbeeld in een afgehaald bed – Huizinga en de Nederlandse beschaving (1997). Van der Lern afficheert zijn studie vooral als ‘de biografie van een van Huizinga’s belangrijkste werken’.

[3] In 1941 publiceerde Johan Huizinga zijn cultuurhistorische studie Nederland’s beschaving in de zeventiende eeuw

[4] Peter Raedts, Ontdekking der ME, blz. 265-267

[5] In Geschiedenis als medespeler, Aula-Boeken 1958
Gebruik en misbruik der geschiedenis, Yale University, 1954.

[6] https://wimberkelaar.com/2015/05/01/pieter-geyl-de-erfenis-van-een-hartstochtelijk-historicus-en-polemist/

[7] https://www.historischnieuwsblad.nl/het-boeiende-leven-van-de-verschrikkelijke-pieter-geyl/

[8] https://wimberkelaar.com/2015/05/01/pieter-geyl-de-erfenis-van-een-hartstochtelijk-historicus-en-polemist/

[9] Fruin vertegenwoordigt voor Geyl vooral de klein-Nederlandse traditie. Pirenne vertegenwoordigt de Belgicistische interpretatie.

[10] https://kathedralenbouwers.clubs.nl/nieuws/detail/1753406_de-ontdekking-van-de-middeleeuwen-geschiedenis-van-een-illusie

[11] Hij doceert geschiedtheorie aan de Universiteit Utrecht en promoveerde op het proefschrift Bouwmeesters, zedenmeesters. Geschiedbeoefening in Nederland tussen 1830 en 1870, waarvan vorig jaar een handelseditie verscheen

[12] https://boekenkrant.com/recensie/het-moeras-van-de-geschiedenis/

[13] https://wapenveldonline.nl/artikel/1077/het-moeras-van-de-geschiedenis-nederlandse-debatten-over-historisme/

[14] Het Gereformeerde Geheugen, blz.188-189

You may also like

Blijf op de hoogte, blijf geïnspireerd

Abonneer u op onze nieuwsbrief voor de laatste trends en tips!

@2025 u2013 All Right Reserved. Designed and Developed by PenciDesign